Opvoeding, onderwijs en de kwetsbaarheid van het levenslichaam in onze tijd: een kritische reflectie op de huidige tendenzen.
Steiner spreekt en schrijft over de mens, nooit vanuit één enkel perspectief. In menskunde beschrijft hij de mens als een samenhang van lichaam, ziel en geest, gedragen door verschillende bestaanslagen die elkaar doordringen.
Naast het fysieke lichaam onderscheidt hij het etherlichaam, ook wel levenslichaam genoemd, dat de basis vormt voor groei, herstel, ritme en innerlijke samenhang. Deze beschrijving vindt men reeds systematisch uitgewerkt in Theosofie (GA 9).
” Het etherlichaam is de drager van alle levensverschijnselen; het is datgene waardoor het fysieke lichaam zich aan de dood onttrekt zolang het leeft.”
Hier wordt al duidelijk dat het etherlichaam niet alleen het lichaam, maar ook het zieleleven ondersteunt. Zonder deze levensorganisatie zou de ziel geen blijvende basis hebben om zich te uiten.
Het etherlichaam is volgens Steiner datgene wat het fysieke lichaam levend houdt en voortdurend tegen afbraak in werkt. Zolang het etherlichaam werkzaam is, blijft het organisme in samenhang; wanneer het zich terugtrekt, treedt ontbinding in.
In verschillende voordrachten benadrukt Steiner dat dit levenslichaam niet alleen het fysieke bestaan draagt, maar ook de noodzakelijke bodem vormt voor het zieleleven (o.a. De mens als symfonie van scheppende krachten, GA 230).
” De wil grijpt diep in het lichamelijke in; hij put zijn kracht uit de levensorganisatie van de mens.”
Hieruit blijkt dat wilskracht volgens Steiner geen kwestie is van mentale discipline alleen, maar afhankelijk is van de gezondheid en draagkracht van het etherlichaam. Wanneer het etherlichaam uitgeput is, kan de wil niet meer werkelijk incarneren in het handelen.
Het denken beschrijft Steiner als het meest losgemaakte zielsvermogen, maar niet als iets dat losstaat van het leven. In ‘De geheimen van het menselijk temperament’ (GA 57) en ‘Mensenkunde als basis voor de pedagogie’ (GA 293) maakt hij duidelijk dat helder, beweeglijk denken alleen mogelijk is wanneer het etherlichaam gezond en geordend is.
“Het denken is weliswaar het meest geestelijke van de zielsvermogens, maar het kan slechts gezond functioneren wanneer het etherlichaam in een harmonische toestand verkeert.” (GA 57)
“Het etherlichaam leeft in ritme; alles wat ritme verstoort, verzwakt het leven, en daarmee ook het zieleleven.” (GA 293)
Het etherlichaam draagt het geheugen, de innerlijke samenhang en de ritmiek van het denken. Wanneer deze samenhang verstoord raakt, verliest het denken zijn innerlijke lijn en wordt het ofwel te star, ofwel te vluchtig.
Het ritmische principe is volgens Steiner essentieel voor de gezondheid van denken, voelen en willen. Ritme voedt het etherlichaam, en via het etherlichaam wordt de ziel stabiel, veerkrachtig en samenhangend.
Het voelen bevindt zich volgens Steiner nog directer in het veld van het etherlichaam. In voordrachten zoals ‘Menselijke en kosmische gedachten’ (GA 151) beschrijft hij hoe de levensprocessen in het etherlichaam onmiddellijk doorwerken in het gevoelsleven.
Een gezond etherlichaam maakt het mogelijk dat gevoelens kunnen komen en gaan, zonder de ziel te overspoelen of te verarmen.
Wanneer het etherlichaam verzwakt is, verliezen gevoelens hun natuurlijke beweeglijkheid en ontstaat emotionele instabiliteit of gevoelsmatige leegte.
“In het voelen leeft de mens het sterkst in zijn etherlichaam; daar golven de levensprocessen het meest onmiddellijk door de ziel heen.”
Dit verklaart waarom gevoelens zo nauw verbonden zijn met vitaliteit, ritme en herstel. Een verzwakt etherlichaam kan het gevoelsleven niet meer dragen, waardoor emoties hun natuurlijke beweeglijkheid verliezen.
Het willen tenslotte grijpt volgens Steiner het diepst in het lichamelijke in. In ‘De mens als symfonie van scheppende krachten’ (GA 230) en verwante voordrachten beschrijft hij hoe de wil zijn kracht put uit de levensorganisatie zelf.
Wilskracht is geen louter psychisch fenomeen, maar een uitdrukking van levensenergie. Wanneer het etherlichaam uitgeput raakt, kan het willen zijn dragende kracht verliezen, wat zich uit in besluiteloosheid, uitputting of dwangmatig handelen.
Vanuit deze samenhang wordt duidelijk waarom Steiner de gezondheid van denken, voelen en willen altijd verbindt met de toestand van het etherlichaam. En precies dit etherlichaam staat centraal in zijn pedagogische visie.
In ‘Algemene menskunde als basis voor de pedagogie’ (GA 293) beschrijft Steiner hoe het etherlichaam zich geleidelijk ontwikkelt. In de eerste zeven levensjaren is het vooral gericht op lichamelijke groei en vorming. Het kind leeft in nabootsing en zintuiglijke ervaring. Opvoeding werkt in deze fase niet via uitleg, maar via omgeving, voorbeeld en ritme. Rust, herhaling en morele geborgenheid werken rechtstreeks vormend op het etherlichaam.
Rond de tandenwisseling komt het etherlichaam geleidelijk vrij voor leren en geheugen. Dit is volgens Steiner het moment waarop onderwijs werkelijk kan beginnen. Leren moet dan niet primair abstract of intellectueel zijn, maar beeldend, ritmisch en kunstzinnig. In GA 293 en GA 294 benadrukt hij dat beelden, verhalen en kunstzinnige activiteit het etherlichaam voeden, omdat zij aansluiten bij zijn levende, vormende aard.
Ritme speelt hierin een centrale rol. Steiner herhaalt in tal van pedagogische voordrachten dat het etherlichaam in ritme leeft: dag en nacht, inspanning en ontspanning, herhaling en afwisseling. In GA 293 stelt hij expliciet dat alles wat het ritme verstoort, het levenslichaam verzwakt, en daarmee ook het zieleleven.
Vanuit deze menskunde wordt zichtbaar hoe nefast hedendaagse verschijnselen zoals overprikkeling en prestatiedruk kunnen inwerken op het etherlichaam.
Hoewel Steiner deze termen niet gebruikte, beschrijft hij in verschillende contexten de gevolgen van een te vroege intellectualisering en een overbelasting van het leervermogen.
Wanneer het etherlichaam voortdurend wordt aangesproken zonder tijd voor verwerking, verliest het zijn ordenende kracht. Wat vandaag wordt benoemd als concentratieproblemen, emotionele ontregeling of chronische vermoeidheid, zou Steiner duiden als tekenen van een verzwakt levens- of etherlichaam.
Prestatiedruk werkt bijzonder uitputtend. Wanneer kinderen te vroeg worden aangesproken op abstract denken, wordt het etherlichaam voortijdig belast. In plaats van gedragen te worden door levensprocessen, moet het kind functioneren op spanning en wilskracht. In ‘Opvoeding en vroegkinderlijke ontwikkeling’ (GA 297) waarschuwt Steiner dat dit later kan doorwerken in verminderde vitaliteit en innerlijke leegte.
Ook het terugdringen van kunstzinnige en lichamelijke activiteit ziet Steiner als problematisch. Kunst, beweging en ambacht werken herstellend op het etherlichaam omdat zij denken, voelen en willen opnieuw verbinden. Dit motief komt herhaaldelijk terug in zijn onderwijsvoordrachten (GA 293–296).
Gezonde opvoeding vraagt in deze zin niet om méér stimulans, maar om bescherming, vertraging en zinvolle begrenzing. Het verzorgen van het etherlichaam is geen bijkomstigheid, maar een vorm van zielenzorg. Onderwijs is dan geen voorbereiding op later, maar een levensvormende kracht in het heden.
De mens kan alleen een zelfstandig-vrij denken , een evenwichtig voelen en krachtig willen ontwikkelen wanneer zij rust op een gezond, ritmisch en goed verzorgd etherlichaam.
Opvoeding en onderwijs dragen daarom een diepe verantwoordelijkheid: zij werken niet alleen aan kennis, maar aan de levensgrond van de mens zelf.
Het etherlichaam als pedagogisch instrument
In de opvoeding van het kleine kind
Cornelis Boogerd
Het inzicht in de ontwikkeling van het kind vanuit de antroposofie geeft het opvoeden een andere dimensie: je kunt inspelen op de krachten en kwaliteiten die in die ontwikkeling hun rol spelen. Bij het kleine kind (tot ca 7 jaar) zijn het de krachten van het etherlichaam die een wezenlijke taak vervullen. Die krachten drukken zich uit in onder andere ritme, gewoontes en nabootsing. Dit boek geeft aan hoe je bewust met, vanuit en aan deze krachten kunt werken en geeft daartoe ook vele voorbeelden en oefeningen. Tweede druk, gebonden, 231 pagina’s, met illustraties
Tot aan het zevende jaar werkt het kind vooral met zijn nog onzelfstandige etherkrachten aan de opbouw van zijn fysieke lichaam. Dit houdt in dat alles wat je in de kleuterklas of in het gezin doet, een relatie heeft met de etherische werkelijkheid van het individuele kind, van de groep als een organisme en van de opvoeder zelf.
Maar wat betekent dat? Van de wereld van de etherkrachten zijn we ons immers doorgaans nauwelijks bewust. Hoe bouw je een bewuste brug tussen de begrippen over de etherische werkelijkheid en de dagelijkse praktijk met de kinderen?
In de gelukkige momenten dat dit lukt, bijvoorbeeld in een werkelijk vervuld kringspel, liedje of spreuk, ontwikkelt zich een feestelijk heilzame substantie. Dat is de werkelijkheid waarin het kleine kind leeft en waarin het zich opbouwt.
Dit inspirerende boek is een ontdekkingstocht door een nog nauwelijks ontgonnen gebied, waarmee we kennismaken via inzichten, praktijkvoorbeelden, oefeningen en beelden. Het geeft de opvoeder aan hoe zij (hij) in de praktijk van het werken en leven met kleine kinderen het eigen etherlichaam als instrument kan inzetten.
Cornelis Boogerd deed vele jaren intensief onderzoek naar dit thema en werkt er aan met o.a. moedergroepen en opleidingen van leidsters in binnen- en buitenland.