Terugkijkend op mijn cursus Filosofie, duik ik nog eens in één van de besproken filosofen. De wil tot macht, machtsdronken, sommigen noemen het in deze tijd ‘machtsgeil’. Dat wordt dan verder in deze tijd gelabeld aan ‘narcisme’.
Dus even een diepere duik genomen in een toch niet zo onbelangrijke filosoof. Wat zijn persoonlijke leven betreft, tja, daar is wel wat over te vertellen, maar ook weer niet zomaar als een soort van ‘roddelpers’. Ook dat vraagt een actieve inzet om de mens, tot op zekere hoogte, te leren kennen, te ontdekken wie die mens is geweest. Zijn zus heeft daar zeker toe bijgedragen. En ook Rudolf Steiner. Niet makkelijk alleszins om zo’n mens ten volle te begrijpen, maar voldoende om daar toch iets over te delen. Precies omdat het thema: ‘macht’ veelvuldig onder de aandacht wordt gebracht. Misschien is dit stukje tekst wat helpend om daar innerlijk zelf stil bij te staan. Of niet, dan laat je dat eenvoudig voorbij gaan.
De ‘wil tot macht’ is een centraal concept in de filosofie van de 19e-eeuwse Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. Het kan het best worden begrepen als een irrationele kracht, aanwezig in alle individuen, die kan worden ingezet voor verschillende doelen.
Nietzsche onderzocht het idee van de wil tot macht gedurende zijn hele carrière en categoriseerde het op verschillende momenten als een psychologisch, biologisch of metafysisch principe. Om deze reden is de wil tot macht ook een van Nietzsches meest misbegrepen ideeën.
Begin twintig las Nietzsche ‘ The World as Will and Representation’ van Arthur Schopenhauer en raakte erdoor gefascineerd. Schopenhauer bood een diep pessimistische visie op het leven, en de kern daarvan was zijn idee dat een blinde, onophoudelijk strevende, irrationele kracht die hij ‘Wil’ noemde, de dynamische essentie van de wereld vormde.
Deze kosmische Wil manifesteert zich in ieder individu door middel van de seksuele drift en de ‘wil tot leven’ die in de natuur te vinden is. Het is de bron van veel ellende, omdat het in wezen onverzadigbaar is. Het beste wat men kan doen om het lijden te verminderen, is manieren vinden om het te verzachten. Dit is een van de functies van kunst.
In zijn eerste boek, ‘The Birth of Tragedy’, stelt Nietzsche een ‘Dionysische’ impuls voor als de bron van de Griekse tragedie. Net als Schopenhauers Wil is het een irrationele kracht die opwelt uit duistere oorsprongen en zich uitdrukt in wilde, dronken uitbarstingen, seksuele losbandigheid en wreedheden. Zijn latere opvatting van de wil tot macht is aanzienlijk anders, maar behoudt iets van dit idee van een diepe, pre-rationele, onbewuste kracht die kan worden benut en getransformeerd om iets moois te creëren.
In vroege werken zoals ‘ Human, All Too Human and Daybreak’, besteedt Nietzsche veel aandacht aan de psychologie. Hij spreekt niet expliciet over een ‘wil tot macht’, maar hij verklaart herhaaldelijk aspecten van menselijk gedrag in termen van een verlangen naar dominantie of beheersing over anderen, zichzelf of de omgeving. In ‘The Gay Science’ wordt hij explicieter, en in ‘Thus Spoke Zarathustra’ gebruikt hij voor het eerst de uitdrukking ‘wil tot macht’.
Mensen die niet bekend zijn met Nietzsches werk, zouden geneigd kunnen zijn het idee van de wil tot macht nogal simplistisch te interpreteren. Maar Nietzsche denkt niet alleen, of zelfs niet primair, aan de motivaties van mensen als Napoleon of Hitler, die uitdrukkelijk militaire en politieke macht nastreven; hij past de theorie doorgaans op een subtiele manier toe.
Bijvoorbeeld Aforisme 13 uit ‘The Gay Science’ is getiteld ‘The Theory of the Sense of Power.’ Hier betoogt Nietzsche dat we macht over anderen uitoefenen door hen zowel te bevoordelen als te schaden. Wanneer we hen schaden, laten we hen onze macht op een grove – en gevaarlijke – manier voelen, omdat ze dan wellicht wraak willen nemen.
Iemand aan ons verplichten is meestal een prettigere manier om een gevoel van macht te ervaren; we vergroten daarmee ook onze macht, omdat degenen die we bevoordelen het voordeel zien om aan onze kant te staan.
Nietzsche betoogt dat het veroorzaken van pijn over het algemeen minder prettig is dan het tonen van vriendelijkheid en suggereert zelfs dat wreedheid, omdat het de mindere optie is, een teken is van machtsgebrek.
De wil tot macht, zoals Nietzsche die opvat, is noch goed noch slecht. Het is een fundamentele drijfveer die in iedereen aanwezig is, maar die zich op veel verschillende manieren uitdrukt. De filosoof en de wetenschapper kanaliseren hun wil tot macht in een wil tot waarheid. Kunstenaars kanaliseren die in een wil om te creëren. Zakenlieden bevredigen die door rijk te worden.
In ‘ On the Genealogy of Morals’ contrasteert Nietzsche ‘meestermoraal’ en ‘slavenmoraal’, maar herleidt beide tot de wil tot macht.
Het creëren van waardetabellen, deze aan mensen opleggen en de wereld ernaar beoordelen, is een opmerkelijke uiting van de wil tot macht. En dit idee ligt ten grondslag aan Nietzsches poging om morele systemen te begrijpen en te beoordelen.
De sterke, gezonde, meesterlijke types leggen hun waarden vol zelfvertrouwen rechtstreeks aan de wereld op. De zwakken daarentegen proberen hun waarden op een sluwere, indirecte manier op te leggen, door de sterken een schuldgevoel aan te praten over hun gezondheid, kracht, egoïsme en trots.
Hoewel de wil tot macht op zich noch goed noch slecht is, geeft Nietzsche duidelijk de voorkeur aan bepaalde manieren waarop deze zich aan anderen manifesteert. Hij pleit niet voor het nastreven van macht. In plaats daarvan prijst hij de sublimatie van de wil tot macht in creatieve activiteit. Grofweg gezegd, prijst hij die uitingen ervan die hij als creatief, mooi en levensbevestigend beschouwt, en bekritiseert hij uitingen van de wil tot macht die hij als lelijk of voortkomend uit zwakte ziet.
Een specifieke vorm van de wil tot macht waaraan Nietzsche veel aandacht besteedt, is wat hij ‘zelfoverwinning’ noemt. Hier wordt de wil tot macht ingezet en gericht op zelfbeheersing en zelftransformatie, geleid door het principe dat ‘je ware zelf niet diep in jezelf ligt, maar hoog boven je’.
In de jaren 1880 las Nietzsche verschillende Duitse theoretici die Darwins theorie over evolutie bekritiseerden, en hij lijkt door hen beïnvloed te zijn. Op verschillende plaatsen contrasteert hij de wil tot macht met de ‘wil tot overleven’, die volgens hem de basis vormt van het darwinisme. Darwin postuleert echter geen wil tot overleven. Hij legt juist uit hoe soorten evolueren door natuurlijke selectie in de strijd om te overleven.
Soms lijkt Nietzsche de wil tot macht te beschouwen als meer dan alleen een principe dat inzicht geeft in de diepe psychologische drijfveren van de mens.
Zo laat hij Zarathustra in ‘Aldus sprak Zarathustra’ zeggen: ‘Waar ik ook een levend wezen vond, daar vond ik de wil tot macht.’ Hier wordt de wil tot macht toegepast op het biologische domein. En in vrij eenvoudige zin zou men een simpele gebeurtenis, zoals een grote vis die een kleine vis opeet, kunnen begrijpen als een vorm van de wil tot macht; de grote vis demonstreert beheersing van zijn omgeving door een deel van die omgeving in zich op te nemen.
Nietzsche overwoog een boek te schrijven met de titel “De wil tot macht”, maar publiceerde nooit een boek onder die naam. Na zijn dood publiceerde zijn zus Elizabeth echter een verzameling van zijn ongepubliceerde aantekeningen, door haarzelf georganiseerd en bewerkt, onder de titel “De wil tot macht”. In “De wil tot macht” herneemt Nietzsche zijn filosofie van de eeuwige wederkeer, een idee dat hij eerder al in “The Gay Science” had geopperd.
Sommige passages in dit boek maken duidelijk dat Nietzsche het idee serieus nam dat de wil tot macht een fundamenteel principe zou kunnen zijn dat in de hele kosmos werkzaam is. Paragraaf 1067, de laatste paragraaf van het boek, vat Nietzsches manier van denken over de wereld samen als ‘een monster van energie, zonder begin, zonder einde… mijn Dionysische wereld van het eeuwig zelfscheppende, het eeuwig zelfvernietigende…’
Het besluit met:
‘Wilt u een naam voor deze wereld? Een oplossing voor al haar raadsels? Een licht ook voor u, u best verborgen, sterkste, meest onverschrokken, meest nachtelijke mensen? – Deze wereld is de wil tot macht – en niets anders! Met nachtelijke mensen bedoelt hij op hen die in het duister durven kijken.
De beroemde uitspraak komt echt uit ‘ Jenseits von Gut und Böse’ (Beyond Good and Evil), Aforisme 146. Het citaat luidt in de originele Duitse tekst:
‘ Wer mit Ungeheuern kämpft, mag zusehn, dass er nicht dabei zum Ungeheuer wird.
Und wenn du lange in einen Abgrund blickst, blickt der Abgrund auch in dich hinein.’
‘ Wie met monsters vecht, moet ervoor zorgen dat hij zelf geen monster wordt.
En als je lang genoeg in een afgrond staart, zal de afgrond terug naar jou staren.’
Hartegroet Mieke