Geplaatst op

Taal en de geest van taal

Mensen praten over de ‘geest van een taal’, maar het is moeilijk te zeggen dat er tegenwoordig veel mensen zijn voor wie het concept, zo uitgedrukt, een heel duidelijk beeld voor het geestesoog oplevert. Wat ze bedoelen als ze deze woorden gebruiken, zijn algemene karakteristieke eigenaardigheden in de vorming van woorden en klanken, in de wending van zinnen en de omgang met beeldspraak. Welke ‘spiritualiteit’ er ook mag zijn, bestaat alleen in hun geest en gaat nooit verder dan abstracties. Wat betreft iets dat de naam ‘Geest’ waardig is, zo ver komen ze nooit.

Er zijn echter twee manieren waarop we de ‘Spirit’ van de taal van vandaag in al zijn levende kracht kunnen vinden. Een van deze manieren wordt ontdekt door de ziel die verder gaat dan louter conceptueel denken naar dat zien dat het leven en wezen van dingen onthult. Dit soort zicht is een innerlijke ervaring, een innerlijke realisatie van een spirituele werkelijkheid die niet verward mag worden met een vage, mystieke sensatie van een algemeen ‘iets’. Het is een werkelijkheid die niets bevat dat zintuiglijk waarneembaar is, maar niet minder ‘substantieel’ is in de spirituele zin.

Bij dit soort zicht reist de ziener ver weg van alles wat in taal kan worden uitgedrukt. Wat hij ziet, kan niet direct zijn weg naar de lippen vinden. Hij grijpt naar woorden en heeft meteen het gevoel dat de substantie van zijn visie verandert. En – als hij erop gebrand is om anderen erover te vertellen – begint nu zijn strijd met de taal. Er is geen mogelijke vorm van spreken die hij niet in zijn dienst dwingt om een ​​beeld te vormen van wat hij heeft gezien. Klokkenspel en herinneringen aan geluiden, wendingen en verdraaiingen van formuleringen – hij laat niets onontgonnen binnen de rijken van het zegbare. Het is een harde innerlijke strijd. En uiteindelijk moet hij tegen zichzelf zeggen: ‘Deze taal is koppig en heeft een eigen wil. Ze zegt elk denkbaar ding op haar eigen manier. Je zult eraan moeten “toegeven” en haar moeten vermaken als je wilt dat ze jouw observaties accepteert en ze in zichzelf opneemt.’ Wanneer we in spraak vormgeven wat we in de geest hebben gezien, dan ontdekken we dat we niet te maken hebben met een zachte massa was die zich in elke gewenste vorm laat modelleren, maar dat we te maken hebben met een levende Geest: de Geest van de taal, de ‘Spraak-Geest’.

En als het op deze manier eerlijk wordt uitgevochten, kan de strijd uitstekend eindigen, zelfs heel aangenaam. Want er komt een moment waarop we voelen: ‘De Geest van de taal heeft gegrepen wat ik zag, heeft het opgenomen!’ De woorden en zinswendingen zelf krijgen iets van een spirituele aard. Ze houden op louter tekenen te zijn van wat ze gewoonlijk ‘betekenen’ en glippen in de vorm van het geziene. En dan begint zoiets als een levende omgang met de Geest van de taal. De taal krijgt een persoonlijke kwaliteit. We voelen dat we er als het ware dingen mee kunnen bespreken, ermee in het reine kunnen komen, zoals we dat met een ander mens zouden moeten doen.

Dat is een manier waarop we de Geest van de taal als een levend wezen kunnen gaan voelen. We komen tot de tweede manier, in de regel, door de eerste te doorlopen. Maar dit is niet noodzakelijk en we kunnen het heel goed onafhankelijk doen. We zijn goed op dit tweede pad als we de oorspronkelijke, concrete betekenis van woorden en idiomen beseffen die in de huidige tijd een louter abstract karakter hebben gekregen, en ze in al hun eerste, frisse, visuele betekenis voelen. We spreken vandaag bijvoorbeeld over een ‘ aangeboren overtuiging’ en zeggen ook dat een overtuiging ‘ in ons geboren ‘ is. Wanneer we in de huidige tijd zeggen: ‘Ik heb een aangeboren overtuiging’, voelen we dat de ziel zich al in de positie bevindt van het doorwerken naar de innerlijke verificatie van een ding. We hebben al geleerd onszelf los te voelen van en ‘buiten’ woorden.

Maar als we onze weg terug in het woord voelen, rijst er, als een soortgelijk proces op verschillende vlakken, de geboorte in het lichaam en de geboorte in de ziel op. We hebben zichtbaar voor ons wat er werkelijk in de ziel gebeurt wanneer een overtuiging erin ‘geboren’ wordt. Neem een ​​ander voorbeeld. We zeggen van een persoon die vriendelijk en behulpzaam is, dat hij bereid is om ‘in te vallen’ met anderen. Zulke uitingen openen een rijkdom aan innerlijk leven. Een persoon die geneigd is om te vallen, verliest zijn evenwicht, neemt afscheid van zijn bewustzijn. En iemand die bereid is om ‘in te vallen’ met anderen, laat zichzelf voorlopig gaan, laat zijn eigen bewustzijn zinken in dat van de ander. Hij gaat innerlijk door iets heen dat niet helemaal ver verwijderd is van wat bedoeld wordt met ‘in een flauwte vallen’.

Als we een gezond gevoel voor zulke dingen hebben, als we ze op een oprechte, feitelijke manier voelen en niet alleen maar een slim spelletje met woorden spelen of proberen ingenieuze argumenten te vinden voor discutabele theorieën, dan worden we uiteindelijk gedwongen om aan onszelf toe te geven dat er in de vorming van taal Intelligentie, Rede, Geest huist. Het is niet een Geest die daar als eerste door het bewustzijn van de mens is neergezet, maar een Geest die in het onderbewustzijn werkt en die de mens daar al voor zich vindt in de taal terwijl hij die leert. En langs deze weg kan de mens werkelijk begrijpen hoe zijn eigen geest een creatie is van de Geest van de taal, van de ‘Spraak-Geest.’

Op deze weg zijn alle noodzakelijke voorwaarden aanwezig om tot de Spraak-Geest te komen. De resultaten van modern onderzoek bevatten alles wat nodig is. En er is inderdaad al veel gedaan. Wat nu nodig is, is de bewuste constructie van een psychologische wetenschap van taal.

Het is echter niet zozeer onze zorg hier om aan te geven wat er in deze richting nodig is, als wel om zaken aan te duiden die een praktische betekenis hebben voor het leven. Iedereen die zulke feiten als de bovenstaande overweegt en ze in hun geheel bekijkt, moet tot het besef komen dat er diep verborgen in de taal iets is dat naar buiten en verder leidt naar iets hogers, iets dat boven de taal staat – naar de Geest zelf. En deze Geest is niet zodanig dat hij in de veelvoudige talen ook veelvoudig kan zijn. Hij leeft in hen allen als één enkele eenheid.

Deze spirituele eenheid onder de talen gaat verloren wanneer ze hun eerste aangeboren, elementaire vitaliteit afwerpen en worden gegrepen door de geest van abstractie. Dan komt het moment dat een mens in het spreken niet langer de Geest in zich heeft, maar alleen de verbale kleding van de Geest. Het is een heel andere zaak voor de ziel van een mens of hij, door uitdrukkingen als de bovenstaande te gebruiken, in zich het beeld voelt van wat er werkelijk tussen twee mensen plaatsvindt wanneer de een, laten we zeggen, ‘invalt’ bij de ander – of dat hij aan de zin alleen een conventioneel, abstract begrip van de relatie tussen hen hecht.

Hoe directer abstract het taalgevoel van mensen wordt, hoe meer hun zielen van elkaar worden afgesneden. Wat abstract is, is eigen aan het individu. Hij werkt het voor zichzelf uit en leeft erin als in iets dat geïdentificeerd is met zijn eigen privé-ego. Dit element van abstractie is weliswaar alleen perfect te bereiken in de wereld van concepten; maar tot op zekere hoogte is er een zeer nabije benadering ervan gemaakt in woorden en zinnen zoals die werkelijk worden gevoeld en gebruikt, met name in de talen van beschaafde naties.

Maar in het tijdperk waarin we nu leven, tegenover alles wat neigt naar de scheiding van mensen en volkeren, moet elke band die hen verbindt bewust worden gekoesterd. Want zelfs tussen mensen die verschillende talen spreken, valt datgene weg wat hen verdeelt wanneer ieder de zichtbare werkelijkheid ziet en voelt die in zijn eigen vorm van spreken wordt afgebeeld. Het wekken van de sluimerende ‘Spraak-Geest’ in elke taal zou een belangrijk element moeten zijn in alle sociale opvoeding.

Iedereen die zich met zulke zaken bezighoudt, moet ontdekken hoezeer de voortzetting van welke beweging dan ook — van wat mensen tegenwoordig sociale bewegingen noemen — afhangt van het observeren van het levensproces van de zielen van mensen, niet van louter nadenken en bestuderen van externe instellingen en schema’s. Tegen de achtergrond van de tendens tot het scheiden van volkeren in talen is het een van de meest urgente taken van deze tijd om een ​​tegenstroom te creëren om elkaar te begrijpen.

Er wordt tegenwoordig veel gesproken over ‘Humanisme’ en over het cultiveren van het echte menselijke principe dat alle mensen gemeen hebben. Maar om een ​​dergelijke neiging echt te laten worden, moet het serieus worden toegepast op de verschillende concrete gebieden van het leven. Denk eens na over wat het betekent voor iemand die ooit woorden en zinnen heeft gevoeld die zijn belegd met een absoluut onderscheiden en zichtbare realiteit. Hoeveel voller en scherper is het gevoel dat een mens dan heeft van zijn eigen menselijke natuur dan wanneer taal alleen maar in zijn abstractie wordt gevoeld! We hoeven natuurlijk niet te denken dat wanneer iemand een afbeelding ziet en zegt: ‘Wat heerlijk!’, hij, terwijl hij naar de afbeelding kijkt, tegelijkertijd een visioen moet hebben van zijn gewrichten die worden losgemaakt totdat hij in een staat van zo’n volledige ‘verrukking’ is dat hij begint te voelen alsof zijn wezen is opgelost! Toch zal iemand die ooit het overeenkomstige beeld in zijn ziel levendig heeft gevoeld, wanneer hij zulke woorden spreekt, een heel andere innerlijke ervaring hebben dan iemand die ze nooit als iets anders dan een abstractie heeft gekend.

In de conventionele en wetenschappelijke taal van die tijd moet de boventoon in de ziel noodzakelijkerwijs abstract zijn, maar de ondertoon mag ook niet abstract zijn. In de primitieve stadia van de beschaving hadden mensen een visueel taalgevoel . In de meer gevorderde stadia moet dit visuele taalgevoel door onderwijs worden verschaft, zodat het niet geheel verloren gaat.

GA 36

Dit artikel is geschreven in 1919. In de verzamelde editie van Rudolf Steiner’s werken heeft het deel met de Duitse teksten de titel Der Goetheanumgedanke Inmitten der Kulturkrisis der Gegenwart. Gesammelte Aufsaetze aus der Wochenschrift “Das Goetheanum” 1921 – 1925 (Deel 36 in het Bibliografisch Overzicht, 1961). Gepubliceerd in Anthroposophy: A Quarterly Review of Spiritual Science met vriendelijke toestemming van Frau Marie Steiner, uit Das Goetheanum, 23 juli 1922.

Vertaler Onbekend