In deze tijd is het noodzakelijk om werkelijk interesse te tonen in elkaar, een tijd van wisselwerking op zielsgebied en geestwekkende ontmoetingen. Het wekken van elkaar, niet op de manier die we doorgaans kennen. De mens kan meer worden voor zijn medemens dan hij altijd is geweest, hij wordt voor de ander ( en we worden voor elkaar) een wekkend wezen.
Een wekkend wezen wil niets opleggen. Het schept ruimte. Het vertrouwt erop dat in de ander iets leeft dat gewekt wil worden. Het weet dat het hogere niet van buitenaf kan worden ingebracht, maar alleen van binnenuit kan ontwaken.
Hoe worden we of kunnen we een wekkend contact creëren met elkaar?
Verwijzend naar de Brieven aan de leden, spreekt Steiner meermaals op een heel eenvoudige manier over het ontmoeten van elkaar- hij wijst erop dat het verwoorden van datgene wat ons het allerdiepste beweegt, meestal heel moeilijk is, tot ontoereikend.
Als er iemand is die met eerbied en aandacht luistert, ontstaat vertrouwen en kan waarheid gevonden worden. Dat leidt tot een gevoel van kracht in de ziel, waar voorheen machteloosheid aanwezig was. Het is dit gevoel van kracht, dat de ander in werkelijkheid zoekt.
Door luisterend en vragend op iemand in te gaan, kan datgene wat verteld wordt als het ware naar een hoger inzicht worden geheven. Het is een proces dat zich tussen beiden voltrekt. En in dat gezamenlijke zoeken komen steeds nieuwe inzichten tevoorschijn — inzichten in het leven, in de menselijke ziel, in de sociale opgaven van deze tijd. Soms spreken daaruit woorden van een wijsheid die de spreker zelf niet voor mogelijk had gehouden.
Antwoorden verbreden zich. Door te zoeken naar essenties, door het gesprek niet te laten verzanden in een wirwar van meningen maar door het te richten op wat wezenlijk is, wordt het hogere wezen van de spreker gewekt.
Er ontstaat een verbinding tussen het gewone ik — ‘ik ben maar een eenvoudig mens” — en het hogere Ik, het geestelijke Zelf. Dat hogere Zelf is niet alleen innerlijk aanwezig, maar werkt ook van buitenaf, als een geestelijke realiteit die de mens wil doordringen.
De ervaring van de bevrijdende werking van dit hogere wezen schept een innerlijk vrij gevoel. Wie zo wordt beluisterd, kan zeggen:
‘Misschien ben ik maar een gewoon mens, maar wanneer jij zo met mij spreekt en naar mij luistert, kan ik vrijkomen.’
Dat vrijkomen is het vrijkomen van het innerlijk geestelijke zelf. Er stroomt iets van kracht, soms zelfs van gelukzaligheid, vanuit een diepere wereld naar het gewone bewustzijn. Men ervaart dat de wereld van de geest geen abstract idee is, maar werkelijkheid.
Hier wordt zichtbaar wat de antroposofie bedoelt wanneer zij zegt dat in de diepere regionen van de ziel een hogere mens leeft — een mens die oneindig grootser en sterker is dan ons gewone ik, en wiens bewustzijn ons dagbewustzijn verre overtreft.
Die hogere mens kan vrijkomen dankzij de wekkende werking die plaatsvindt tussen de ziel en de geest van de ene mens en die van de ander. Wat daar tussen mensen gebeurt, laat iets zien van wat de geestelijke wereld eigenlijk is. De geestelijke wereld openbaart zich in een levende ontmoeting.
Er ontstaat een verbinding tussen het gewone ik ( ik ben maar een eenvoudig mens vb) en het hogere ik of geestelijke zelf, zowel het innerlijke als het van buitenaf werkende zelf.
‘We mogen nu nog zulke mooie ideeën in ons opnemen uit de antroposofie’, zegt Steiner, uit deze konde van een geestelijke wereld, wij mogen theoretisch doorzien wat ons allemaal over het etherische, het astrale lichaam en….verteld kan worden, maar daarmee begrijpen we de geestelijke wereld nog niet. We beginnen het eerste begrip voor de geestelijke wereld pas te ontwikkelen wanner we gewekt worden, of onszelf wekken, voor het innerlijk, voor het geestelijke van een ander mens. Dan begint het werkelijke begrip voor de antroposofie pas.’
Natuurlijk wil dat niet zeggen dat we de inzichten, de ideeën van de antroposofie niet nodig hebben; die hebben we zeker nodig om onze persoonlijke ervaringen te doorlichten, ze moeten echter niet als abstracte theorieën in het hoofd blijven hangen, maar praktisch werkzaam worden in het gebied van de ziel, daar waar in onze tijd het geestelijk zelf gewekt wil worden.
Een gesprek
Ze zaten tegenover elkaar aan een kleine tafel. Buiten was het stil; het licht viel zacht naar binnen. Er was geen afspraak gemaakt over wat er besproken moest worden. Alleen de vraag: ‘Hoe gaat het met je?’ wekte vanuit oprechte belangstelling en interesse het volgende op:
Hij haalde zijn schouders op.
‘Het gaat wel,’ zei hij. ‘Ik doe wat ik moet doen. Werk, gezin, alles loopt. Maar…’
Hij zweeg. Alsof hij zelf niet wist wat dat ‘maar’ betekende.
Zij zei niets, bleef eenvoudig aanwezig.
Na een tijdje sprak hij verder.
‘Ik voel me vaak zo… leeg. Alsof ik er wel ben, maar niet echt meedoe. En dan denk ik: stel je niet aan. Iedereen voelt dat wel eens.’
Hij keek haar aan, bijna verontschuldigend.
Zij onderbrak hem niet. Ze vroeg alleen:
‘Kun je dat gevoel van leegte nog iets preciezer beschrijven?’
Hij fronste.
‘Ik weet niet of ik dat kan. Het is geen verdriet. Ook geen boosheid. Het is meer… machteloosheid, denk ik. Alsof er niets van mij gevraagd wordt wat er echt toe doet.’
Er viel een stilte. Een dragende stilte die niet ongemakkelijk voelde.
Hij merkte dat hij bleef zoeken. Dat verraste hem.
‘Het is alsof er iets in mij is,’ ging hij verder, langzaam nu, ‘dat eigenlijk wil spreken, maar nooit aan de beurt komt. Alsof het altijd te laat is.’
Zij zei zacht:
‘En als dat ‘iets’ nu even de ruimte zou krijgen — wat zou het willen zeggen?’
Hij keek weg. Zijn ogen werden vochtig.
‘Ik heb dit nog nooit zo gezegd,” fluisterde hij. ‘Maar… ik heb het gevoel dat ik mezelf voortdurend voorbijloop. Alsof ik leef aan de buitenkant van mezelf.’
Hij ademde diep in.
‘Ik dacht altijd dat dat gewoon was. Dat je volwassen wordt en dat het leven zo wordt. Maar nu ik dit zeg… voelt het niet waar.’
Zij luisterde en liet zijn woorden doorwerken, er werd iets diep-geestelijk tussen hen opgewekt, de eerbied en dankbaarheid te luisteren en beluisterd te worden ademde
Na een tijd zei ze:
‘Wat je nu zegt… hoe voelt dat, terwijl je het uitspreekt?’
Hij was even stil. Toen keek hij haar verbaasd aan.
‘Sterk,” zei hij. ‘Dat is vreemd. Ik praat over iets wat me onmachtig en klein hield— maar nu ik het benoem, voel ik juist kracht.’
Hij lachte zacht, bijna ongelovig.
‘Het is alsof ik mezelf ineens hoor. Alsof ik besta.’
Er volgde een stiltemoment. Hij leek niet meer te zoeken, maar te zijn.
Toen zei hij, heel eenvoudig:
‘Ik ben maar een gewoon mens. Ik heb niets bijzonders te vertellen. Maar zoals jij nu naar me luistert…ervaar ik iets wat aan het vrij komen is. Alsof er iets in mij gewekt wordt dat altijd al aanwezig was.’
Hij legde zijn hand op zijn borst.
‘Het is alsof jij me toestaat mezelf te ontmoeten.’
Zij glimlachte en antwoordde: ‘ Je hebt jezelf vandaag iets toegestaan.’
Hij knikte.
‘Ik denk dat dit is wat ik altijd zocht,’ zei hij zacht. De deur is geopend waardoor iets innerlijk werd gewekt.
En dat was genoeg. Voor nu.
* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *
Een gesprek wordt pas vrij wanneer het denken van beide mensen open blijft. Dat wil zeggen: niet meteen oordelend, niet afsluitend, niet verdedigend. In zo’n gesprek wordt het denken een morele ruimte, waarin iets nieuws kan verschijnen dat vooraf niet vastlag.
Dit vraagt een bijzondere innerlijke houding in het kunnen (ver)dragen van onzekerheid, het waakzaam blijven bij eigen sympathie -en antipathiegevoelens, vertragen/uitstellen van conclusies. Dat noemt Steiner ‘zelfopvoeding’. Zodra we te snel spreken vallen we vaak terug in ‘oude’ bewoordingen, vertrouwde veilige patronen en formuleringen ( ook al worden ze in een ander jasje gestoken)
Een werkelijk gesprek waarin het wezen van de mens, wordt gewekt gaat dus niet zozeer over het delen van standpunten, visies en meningen of polemieken, maar een gezamenlijke oefening in het zelfstandig en vrij denken wat includeert te moed te hebben om niet te weten, de bereidheid om het zelfstandig denken als wordingsweg denken zonder strijd of technieken om te overtuigen te delen, maar evenzeer respect te hebben wanneer de ander nog zoekend is. Precies dat schept ruimte in het wekken van elkaars geestelijke essentie.
Vrijheid leeft niet in het roepen en schreeuwen , maar in een stil midden.
Daar waar het denken wakker is,
maar niets vastgrijpt als zeker (heid)
Daar kan het wezen verschijnen.
Daar kan het gesprek bevrijden en vrij maken
omdat we helder worden
omdat de mens zichzelf innerlijk mag voltrekken.