In de mens wordt voortdurend ook iets geestelijks voortgebracht – het leven in hemzelf. Dit stroomt onafgebroken de wereld in. De mens omgeeft zich met een aura, een stralingsaura, waarmee hij het geestelijke element van de aarde steeds opnieuw verrijkt.
Dit geestelijke element van de aarde bevat alles wat de mens aan kwaliteiten – moreel of anderszins – heeft verworven en in zich draagt, want hij zendt dit alles uit in zijn omgeving. Dit is waar, volkomen waar. Het helderziende oog kan waarnemen hoe de mens zijn morele, intellectuele en esthetische aura de wereld instuurt, en hoe deze uitstraling als een aura in de geest van de aarde voortleeft.
Zoals een komeet zijn staart door het heelal draagt, zo trekt de mens door het hele aardse leven heen de geestelijke aura die hij uitstraalt. Deze aura blijft tijdens het leven als een soort lichtverschijning bijeengehouden, maar straalt tegelijk zijn morele en intellectuele zielskwaliteiten de wereld in.
Bron: Rudolf Steiner – GA 155 – Christus und die menschliche Seele – Norrköping, 16 juli 1914 (blz. 200-201)