Weekendverhaal
Met gekromde rug, zittend op een afgebladderd houten bankje in het park, staarde hij voor zich uit. In gedachten verzonken flitsten ervaringen uit het verleden voorbij. Zijn hart voelde als lood, zo zwaar, verhard, beschermend tegen nog meer pijn, happend naar adem, zijn blik naar de grond richtend- alsof hij daar ergens de oplossing zou vinden. ‘Ik heb een lichaam’, sprak hij zachtjes tot zichzelf- zacht genoeg zodat voorbijgangers het niet konden horen- ‘maar het lijkt of ik slechts een omhulsel heb, met niets maar dan ook niets van binnen, en dat beangstigt me steeds meer en meer, wat ik van binnen voel. Echt voel.’
Het besef, zijn hele leven lang naar glans te hebben gezocht in de buitenwereld, strevend naar perfectie, bewondering, glorie, succes, zo ook in menselijk contact, waardoor zijn binnenwereld langzaam maar zeker verduisterde, dat wekte iets in hem op. Wat dat was, daar kon hij nog niet bij.
Uren gleden voorbij, het oogje van het maanlicht liet zich zien en het werd frisser.
‘Tijd om naar huis te gaan’, sprak hij zichzelf met moed aan, ‘ al wacht er niemand op mij.’
De dagen gingen al even kleurloos voorbij, net als alle andere dagen, tot er iets in hem werd opgewekt, een impuls zeg maar, om een wandeling te maken. De mist hing nog in de vroege ochtend tussen de bomen, de nacht ademde als in een zachte omhulling van etherische sferen, verder in de nieuwe dag.
Zijn voeten raakten, traag stappend, de aarde. Ook zijn ademhaling werd trager en dieper. Verbaasd stond hij even stil van die gewaarwording. Voor de eerste keer sinds hoelang geleden, begon iets in hem te stromen, al was het een heel subtiel gewaarworden.
Zijn aandacht werd getrokken naar een in de verte zingende vogel, als een verwelkoming ontvangend en antwoordde met een voorzichtig ontluikende blijdschap het gezang van de vogel. Verder wandelend was het alsof ook een boom hem begroette. Met verwondering stond de man stil, zette zich neer aan de stam van de boom, terwijl zijn lichaam ontspande. Voor de eerste keer sinds hoelang?
Met zijn rug tegen de stam van de boom leunend, voelde hij vanbinnen een zacht kriebelen. ‘Kan dat nu echt, een boom? ‘Wie me hier nu ziet zitten, denkt vast dat ik gek ben. Gelukkig is er niemand te zien.’, mompelde hij, alsof hij zich richtte naar de boom.
Een genoeglijk deugddoend innerlijk lachen- zijn buik lachte warempel mee, werd een glimlachen. Spontaan legde de man op zijn hart en een andere hand op zijn buik.
Wat eigenlijk veranderde was dat zijn etherisch lichaam- het lichaam van levensstromen- zachtjes begon te ontwaken.
In zijn ene hand voelde hij het lichte pulseren van zijn hart , alsof er kleine stroomstootjes door zijn hart kronkelden, zijn bloedsomloop hem invoelend verwarmde. Tot in zijn benen, door zijn voeten.
‘Zo wil ik hier wel blijven zitten’, dacht hij glimlachend dankbaar.
Eerbiedig dankte hij voor het op gang brengen van zijn innerlijk gemoed de sierlijk zingende vogel en de helende sappen van de boom. Gemakkelijker dan ooit stond de man rechtop, alsof de kromming van zijn rug iets of wat veranderd was. Ademhalen voelde vrijer, alsof zijn borstkas zich had geopend. Minder zwaar als lood voelde. ‘Zou het dan toch nog….’ liep hij in gedachten verzonken naar huis.
Na het avondeten, dat hem beter dan de voorbije tijd had gesmaakt, richtte hij zich dankbaar voor de afgelopen dagen, tot God. Een ritueel dat hij vaak als kind had gedaan, dat was hem ook zo bijgebracht. Door een eenzijdige weg te kiezen, een materialistische weg, waar de buitenkant alleen er toe deed, had hij het contact met zijn binnenkant verduisterd. Zijn licht van binnen, was uitgedoofd.
Die nacht droomde hij van sterren. Ze fluisterden hem toe: ‘Je hart is niet van lood. Het is een poort. Maar je bent vergeten hoe je moet openen.’
Hij zag beelden — van verdriet, van verlangen, van hoop. Zijn astrale lichaam — het lichaam van gevoel en herinnering — bracht hem naar momenten van waarheid: een kind dat hem aankeek, een woord dat hem raakte, een stilte die hem troostte.
En toen, in die droom, smolt het loden hart tot goud. Niet blinkend, maar warm. Een hart dat kon dragen, dat kon luisteren, dat kon liefhebben.
Hij besefte dat, toen hij wakker werd, zijn fysieke, etherische en astrale lichaam een eenheid vormden en zijn IK kon kiezen om innerlijk actief met moed en doorzettingsvermogen, zijn weg van Worden verder te zetten.
Van enkele mensen had hij al wel iets horen vertellen over gehoord antroposofie van Steiner. Hij vond dat allemaal maar vreemd en stootte die mensen af. Succes en schitteren, ja, dat was hét echte leven….Het leven liet hem iets anders zien, maar wat dat anders zou worden, ja, dat was toch weer iets wat hij zelf actief mocht ontdekken. Dat was het eerste inzicht, zelf de keuze te hebben.
‘Hallo, Karel, met Luk’, ging het wat ongemakkelijk beginnend gesprek aan de telefoon, ‘ ik weet dat …’
‘ Hallo Luk, wat is dat lang geleden!’
‘Ja, man, ik weet niet waar ik moet beginnen….’
‘ Nou, ik voel het al, zullen we meteen een dag afspreken en gezellig bijpraten?’
Zo ging het nog even door over wat alledaagse dingen. Een ding stond vast voor Luk: ‘ Ik zit mezelf niet langer meer in de weg, er is een andere weg….’
En zo geschiedde…..
Liefs Mieke ![]()
.