Met Hemelvaart herdenken we dat Christus, veertig dagen na zijn opstanding uit het graf, van de aarde opsteeg naar de hemel. De apostelen zagen hoe een wolk hem opnam en hem aan hun ogen onttrok. Sindsdien heet het dat Christus vanuit wolkenhoogten met ons is tot aan de voleinding der wereld.
Een opmerkelijk beeld is dit. Christus is niet tot in de hemel gegaan, niet tot naar zijn oorsprong, maar in de ruimte tussen hemel en aarde gebleven: op wolkenhoogten.
Bij Johannes de Doper vinden we een soortgelijke beeldspraak.
Toen hij Jezus in de Jordaan doopte, zag hij de hemel openscheuren. Een tussenruimte werd gevormd, van waaruit een lichtende duif naar beneden daalde. Je kunt je afvragen wat we ons daarbij moeten voorstellen, bij wolkenhoogten en tussenruimte.
Wolken ontstaan, zoals bekend, in een samenspel tussen zon en aarde.
Zonnewarmte doet water tot wolken verdampen. Hieruit valt op den duur regen, sneeuw of hagel naar beneden. Vervolgens vloeit het water dat op het vasteland is gevallen door rivieren weer terug de zee in. Deze kringloop van de inwerking van de zon op zeewater, wolken, regenwater boven vasteland, rivieren die het terug laten vloeien, kun je beschouwen als het levende organisme van de aarde.
Zonder deze kringloop is leven op aarde niet mogelijk. Waar alleen de zon schijnt, verschroeit het leven. Waar de zon nooit schijnt, kan niets groeien.
Laten we nu eens bij onszelf kijken, in onze binnenwereld. Daar kunnen we ook een hemelse en een aardse kant ervaren. Om onze hemelse kant te zien, onze goede eigenschappen, kost ons meestal weinig moeite, maar het aardse in onszelf te erkennen valt niet mee. We kijken liever de andere kant op, weg van onze aardse schaduw, richting de zon. Voor het afdalen in onszelf is moed nodig.
Bijna iedereen spreekt schande van corruptie, criminaliteit en oorlogsmisdaden, maar in feite zijn wij tot dezelfde dingen in staat. In ieder van ons schuilt de dief en de moordenaar. Dit in te zien vraagt het uiterste. We zijn gewend nogal positief over onze eigen innerlijke motieven te denken. Daaraan ontlenen we over het algemeen ons zelfbewustzijn.
Wanneer het ons echter lukt het slechte in onszelf te erkennen, en we het accepteren als een deel van ons wezen, dan zijn we bezig tussenruimte te creëren. Die tussenruimte is onze verbinding van het aardse met het hemelse. Het is een gebied op zichzelf waarin het wezenlijke zich openbaart. Dit uit zich in een mildheid jegens onszelf en jegens anderen.
Vanuit die mildheid oordelen we niet zo snel meer over anderen, want we weten hoe we zelf zijn.
Oscar Wilde heeft eens gezegd:
‘Een zondaar en een heilige zijn dezelfde mensen; alleen heeft de heilige een verleden achter zich en de zondaar een toekomst voor zich.’
Met andere woorden, we kunnen als mens pas tot het hemelse, het goede komen door eerst in onze eigen hel af te dalen.
In verkleinde vorm ervaren we dit bij ziekte of lijden. Wanneer we hersteld zijn of ons gelouterd voelen, ervaren we onszelf lichter en beter dan ervoor. Alsof iets binnenin ons, een ziektekiem, een stukje duisternis, zich heeft vrijgemaakt en is losgekomen. Voorwaarde is overgave aan de ziekte, aan het lijden. Ofwel, erkenning en acceptatie van de kleine hel in onszelf.
Met die veroverde mildheid zullen we een ander nu anders tegemoet treden. We creëren ruimte tussen ons en de ander, een vrije ruimte. Die ontstane ruimte kun je zien als een oordeelsvrij gebied tussen mij en de ander. Zeg maar een uitwisselingsgebied, zonder beperkingen. Dit nu zorgt voor het wezenlijke in de ontmoeting, en niet zozeer mijn eigen ik of dat van de ander. Daar, in die tussenruimte, is plaats voor begrip. Wat deze tussenruimte kenmerkt is aandacht en vrijheid. Eerbied, zullen sommigen zeggen. Aandacht voor de ander, met tegelijkertijd een terughouden van onszelf.
Je merkt dan hoe een vonk kan overslaan, hoe licht en ruim alles wordt, op het zorgeloze af. Alles kan, alles is mogelijk, in dat ene moment. Er worden geen claims gelegd, geen verwachtingen gedacht of uitgesproken. Elk oordeel of vooroordeel ontbreekt. De inzichten stromen binnen. Hier gebeurt het, zo voelen we, hier ontstaat echte interesse voor de ander, voor onszelf, voor al wat leeft en wil groeien.
Er is een verhaal van Goethe, Het sprookje van de groene slang en de lelie. Hierin ontmoeten de koning en de slang elkaar. De koning is het beeld voor het hoogste, de slang voor het laagste in de mens. Maar de slang beschikt over een voor de koning onbereikbare schat: het goud.
Het goud staat hier voor de geestelijke inwijding. Er ontstaat het volgende tweegesprek:
‘Waar kom je vandaan?
‘Uit de onderaardse gangen, waar het goud zich bevindt?, zei de slang.
‘Wat is heerlijker dan goud?, vroeg de koning.
‘Het licht’, antwoordde de slang.
‘Wat is verkwikkender dan licht?, vroeg de eerste.
‘Het gesprek’, zei de slang.
Heerlijker dan het goud is het licht, zegt de slang, de openbaring van de waarheid, de werkelijkheid. Het licht in de duisternis. Maar de koning vraagt verder en wil weten wat verkwikkender is dan licht. Het gesprek, zegt de slang, hetgeen betekent: de wezenlijke ontmoeting tussen mensen waarbij gevraagd, geluisterd en verteld wordt. Het goud van de ervaringen komt daar samen met het licht van de inzichten. Dit met een ander te delen tilt je op, verkwikt je alsof je elk moment opnieuw geboren wordt.
Laten we even teruggaan naar Hemelvaart. Deze vindt plaats veertig dagen na Pasen; carnaval veertig dagen ervoor. Hemelvaart is zodoende in de tijd de spiegeling van carnaval om het paasfeest heen. Bij carnaval werden we ons bewust van het feit dat onze aardse persoonlijkheid slechts een masker is dat het hemelse, het geestelijke, omsluiert. Met Pasen gingen we door de dood van dit masker heen en ontwaakten we tot het geestelijke leven. Met Hemelvaart nemen we het donkere aardse vol bewust mee op naar omhoog, naar het licht. Zoals de hele natuur in deze periode naar boven reikt, met uitbundig bloeiende planten en voor het eerst volop in het groen staande bomen.
Daarboven, in het licht, daar wordt de duisternis omgewerkt. Niet door het af te stoten, maar door het te erkennen, door het lief te hebben. Dit licht, dat duisternis in zich opneemt, is liefde.
Uit: Fred Tak ‘Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd’ uitgeverij Christofoor, september 2017
~Fred Tak – www.antroposofiekind.nl