Geplaatst op

Borderline onder de loep belicht- van begrip tot wegwijzer

In consulten met mannelijke cliënten wordt me wel eens toevertrouwd dat hun vriendin, hun partner of vrouw borderline heeft en de diagnose borderline werd gesteld. Ik wil er wel de nadruk op liggen dat een diagnose gesteld en gebaseerd op wetenschappelijke basis niet in twijfel moet getrokken worden. Eerder trek ik uitspraken in het wilde weg, omdat er iets op internet werd gelezen, wél in twijfel. Je kunt zo bij elke tekst en test die je maakt of een test in naam van iemand anders een heel verkeerd beeld neerzetten over iemand of over jezelf.

Ten tweede betekent het begrip ‘persoonlijkheidsstoornis’ niet dat jij of de ander ‘gestoord’ is. Wees ajb echt heel zorgvuldig in het correct interpreteren, dan zullen mensen die ermee te maken hebben, minder verzet en weerstand ervaren.

Stel je voor dat iemand je voor de voeten gooit, op basis van een of andere ‘test’ dat geen gefundeerde basis heeft, dat jij een narcist bent, of een psychopaat, of een theatrale persoonlijkheid hebt…

Ik hoor dit naar mijn goesting toch veel te vaak in gesprekken en heb de neiging als iemand dan ook nog eens zijn/haar gelijk wil hebben tot zelfs overtuigd is van zijn/haar gelijk, af te haken.

Zo had ik iemand gisteren in gesprek, 75+’er, en natuurlijk beluister ik met aandacht en zorg naar iemands verhaal. En toen kwam het neer op de ander, de narcist, de duivel, de leugenaar…en toen ze klaar was met razen vroeg ik haar hoe het met haar was gesteld, na heel veel jaren gescheiden te zijn, haar leven. Dat leek minder interessant voor haar, het ging om hém. Hij had haar leven verpest, hij had haar kinderen beïnvloed en het ging op diezelfde lijn door.

‘ Wat kan ik voor jou betekenen’, vroeg ik haar rustig, een poging om haar zachtjes te bewegen naar zichzelf ‘Je begrijpt toch wel wat en ik hoe me voel’, antwoordde ze gedreven, alsof het verleden doortrokken en levendig actueel was in het heden. ‘Ja, ik heb je gehoord en ik heb je begrepen en ik vraag jou nu wat ik voor jou in jouw verhaal kan betekenen?’ vroeg ik opnieuw. ‘

Het werd rustiger en stiller langs haar kant. ‘ Ik weet het niet, misschien zoek ik naar het waarom dit alles is gebeurd, waarom die narcist me kapotgemaakt heeft…’

Ik viel zelf even helemaal stil….ik voelde haar diep verdriet als een nog diepere wonde dat nog steeds na zoveel jaren gescheiden te zijn, zo actueel alsof het gisteren was gebeurd, levend was.

Mijn gedachten gingen heen en weer, want de op dat moment gepaste en juiste woorden uitspreken om een stap te zetten naar een professioneel deskundig hulpverlener, bleven wat twijfelend op mijn lippen hangen ( kan ik dat wel maken om een 70+ naar de 80 levensjaren toe daartoe nog bewegen? een ethische deontologische vraag die ik me in een snelle gedachte stelde) maar ik sprak het wel uit. En ze onthaalde het wel, tot mijn verwondering, als een mogelijk te nemen stap.

Na een zo intens gesprek keer ik terug in gedachten en stel mezelf de vraag of ik het juiste heb gedaan, los van het beluisteren van een verhaal. Dat is en blijft ten alle tijden een morele verantwoordelijkheid die ik en alle consulenten dragen en ook de twijfels die onvermijdelijk kunnen opduiken, te dragen én te verdragen.

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

*

Mensen met borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD) vertonen meetbare verschillen in hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor emotie- en impulscontrole.

De amygdala, die fungeert als de dreigingsdetector en het emotionele alarmsysteem van de hersenen, is doorgaans reactiever. De prefrontale cortex, het gebied dat verantwoordelijk is voor rationeel denken, plannen en het afremmen van emotionele impulsen, vertoont een verminderde activiteit.

Ook de hippocampus, die helpt bij het verwerken van herinneringen en context, vertoont structurele veranderingen. Beeldvormingsstudies hebben een verminderd volume in verschillende van deze gebieden aangetoond, evenals in de anterieure cingulate cortex, een gebied dat bemiddelt tussen emotionele impulsen en rationele reacties.

Op chemisch vlak speelt serotonine een centrale rol.

Serotonine is een neurotransmitter die helpt bij het reguleren van stemming, agressie en impulsiviteit.

Verschillende onderzoeken wijzen op een verminderde serotonineactiviteit in de prefrontale gebieden van mensen met BPD.

Uit afzonderlijke studies die het vermogen van de hersenen om serotonine aan te maken maten, bleek dat een lagere productie in de verbindingen tussen de prefrontale cortex en dieper gelegen hersenstructuren rechtstreeks samenhing met hogere impulsiviteitsscores.

Het beeld dat hieruit naar voren komt, is een reeks onderling verbonden circuits die de prefrontale cortex, het limbisch systeem (de emotionele kern van de hersenen) en paden door het midden van de hersenen met elkaar verbinden.

Wanneer de serotonineactiviteit in deze circuits laag is, daalt de drempel voor emotionele en gedragsmatige reacties. Iemand kan emoties intenser ervaren, sneller reageren en het moeilijker vinden om terug te keren naar een kalme basistoestand.

Dit betekent niet dat serotonine het enige is; effecten op andere neurotransmitters zoals dopamine en GABA spelen waarschijnlijk ook een rol. (GABA staat voor gamma-aminoboterzuur (Gamma-Aminobutyric Acid). Het is de belangrijkste remmende neurotransmitter in de hersenen.)

Als je de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) hebt, ben je waarschijnlijk bekend met turbulente en snel wisselende emoties en een gebrek aan stabiliteit in je persoonlijke relaties en zelfbeeld.

BPS is een van de meest gestigmatiseerde psychische aandoeningen, zelfs onder sommige professionals in de geestelijke gezondheidszorg. Dit hangt deels samen met het historische idee dat BPS onbehandelbaar is, maar we weten nu dat dit niet het geval is.

Hoewel er nog veel te leren valt over deze complexe aandoening, heeft recent onderzoek aangetoond dat sommige therapievormen, zoals dialectische gedragstherapie (DBT) ( zie vorige blog) effectief kunnen zijn in het verminderen van symptomen en het verbeteren van je levenskwaliteit.

Borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) heeft niet één enkele oorzaak. Het ontwikkelt zich door een combinatie van genetische aanleg, verschillen in de hersenen en omgevingsinvloeden, met name tijdens de kindertijd. Ongeveer 2,4% van de algemene bevolking voldoet aan de criteria voor BPS, en het pad naar de ontwikkeling ervan verschilt per persoon. Onderzoekers ontdekken steeds weer dat biologie en omgeving niet zomaar optellen; ze beïnvloeden elkaar op een manier die de combinatie krachtiger maakt dan elk van de factoren afzonderlijk.

Omgevingsfactoren, met name in de kindertijd, vormen het andere belangrijke puzzelstukje. Kindermishandeling, waaronder fysiek, seksueel en emotioneel misbruik, komt significant vaker voor in de voorgeschiedenis van mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD). Maar trauma alleen verklaart de stoornis niet. Veel mensen ervaren ernstige tegenspoed in hun kindertijd zonder BPD te ontwikkelen, en sommige mensen met BPD melden geen geschiedenis van openlijk misbruik.

Hier komt het concept van de “invaliderende omgeving” om de hoek kijken. Deze term, ontwikkeld door psycholoog Marsha Linehan, beschrijft een omgeving in de kindertijd waarin de emotionele ervaringen van een kind consequent worden afgewezen, geminimaliseerd, bestraft of verkeerd begrepen.

Volgens Linehans model heeft een invaliderende omgeving vier belangrijke kenmerken: onnauwkeurigheid (het verkeerd interpreteren van de emotionele toestand van het kind), verkeerde toeschrijving (het kind vertellen dat zijn of haar gevoelens van de verkeerde bron komen), ontmoediging van negatieve emoties (het straffen of negeren van leed) en oversimplificatie van probleemoplossing (de suggestie dat emotionele problemen gemakkelijk op te lossen zouden moeten zijn).

Invalidatie vereist geen kwade opzet. Een ouder die zelf zijn of haar emoties onderdrukte, kan oprecht geloven dat hij of zij een kind helpt door te zeggen dat het kind zich moet “sterker moet maken”. Een verzorger die overweldigd is door zijn of haar eigen problemen, heeft mogelijk simpelweg niet de energie om te reageren op de emotionele behoeften van een kind.

Het gaat niet om de intentie, maar om het patroon: wanneer een kind herhaaldelijk leert dat zijn of haar emotionele ervaringen verkeerd, overdreven of onacceptabel zijn, ontwikkelt het nooit effectieve strategieën om met die emoties om te gaan.

Het meest gangbare model voor het begrijpen van borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD) is de biosociale theorie. Deze theorie stelt dat de stoornis voortkomt uit een wisselwerking tussen biologische emotionele kwetsbaarheid en een invaliderende omgeving. Geen van beide factoren is op zichzelf voldoende.

Een kind dat geboren is met een hoge emotionele gevoeligheid en opgroeit in een responsief en validerend gezin, kan zich ontwikkelen tot iemand die dingen diep voelt, maar er goed mee omgaat. Een kind met een gemiddelde emotionele gevoeligheid dat opgroeit in een invaliderende omgeving, kan worstelen, maar geen BPD ontwikkelen. Het is de combinatie die het grootste risico vormt.

Ten eerste een lage drempel voor emotionele reacties, wat betekent dat emoties gemakkelijker worden getriggerd.

Ten tweede hyperreactiviteit, waarbij de intensiteit van de emotionele reactie onevenredig groot is.

Ten derde een trage terugkeer naar de basislijn, wat betekent dat emotionele reacties langer aanhouden dan normaal.

Deze eigenschappen hebben een biologische basis en manifesteren zich al vroeg in het leven. Onderzoek naar het temperament van kinderen bevestigt dat kinderen die hoog scoren op neuroticisme (een neiging tot negatieve emoties) en impulsiviteit, in combinatie met een lage score op vriendelijkheid en consciëntieusheid, een groter risico lopen om later borderline-kenmerken te ontwikkelen.

De wisselwerking werkt in beide richtingen: een kind met intense emoties kan meer ontkennende reacties oproepen bij verzorgers die zich overweldigd voelen. Deze ontkennende reacties belemmeren het kind vervolgens in het leren reguleren van emoties, waardoor emotionele uitbarstingen frequenter en intenser worden, wat weer leidt tot meer ontkennende reacties.

Na verloop van tijd kan deze cyclus leiden tot het gebruik van extreme copingstrategieën, waaronder zelfbeschadiging, als een manier om emoties te beheersen die de persoon nooit heeft geleerd te hanteren. Een onderzoek toonde aan dat zowel emotionele disfunctie als impulsiviteit als persoonlijkheidskenmerken onafhankelijk van elkaar geassocieerd waren met borderline-kenmerken bij kinderen, en dat emotioneel misbruik deze associatie versterkte, met name bij kinderen die al een hoge emotionele gevoeligheid vertoonden.

Omdat tegenspoed in de kindertijd zo’n prominente rol speelt, wordt borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD) soms verward met complexe posttraumatische stressstoornis (C-PTSS).

Beide aandoeningen delen kenmerken zoals emotionele instabiliteit, angst, woede en gevoelens van leegte, en beide hebben een verband met trauma. Maar de oorzakelijke mechanismen verschillen op belangrijke punten.

C-PTSS wordt direct veroorzaakt door herhaalde of langdurige traumatische ervaringen. Zonder trauma ontwikkelt C-PTSS zich niet.

De relatie tussen BPD en trauma is minder eenduidig.

Trauma is een belangrijke risicofactor, maar het interacteert met reeds bestaande biologische kwetsbaarheid en is niet in elk geval aanwezig.

BPD manifesteert zich doorgaans in de vroege volwassenheid, wanneer persoonlijkheidspatronen zich consolideren, terwijl C-PTSS zich op elke leeftijd kan ontwikkelen na een langdurig trauma.

De identiteitsstoornis en verlatingsangst die kenmerkend zijn voor BPD, zijn geen centrale kenmerken van C-PTSS, terwijl de flashbacks en vermijdingsgedragingen die kenmerkend zijn voor traumareacties, niet de kern van BPD vormen.

Inzicht in de oorzaken van borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD) is belangrijk omdat het de behandeling direct beïnvloedt. Als de stoornis puur genetisch bepaald zou zijn, zou therapie een beperkt effect hebben.

Als het puur omgevingsgebonden zou zijn, zou medicatie irrelevant zijn. Omdat BPD voortkomt uit de interactie tussen biologie en aangeleerde patronen, richt een effectieve behandeling zich op beide aspecten.

De meest evidence-based therapieën voor BPD richten zich op het ontwikkelen van emotieregulatievaardigheden die in de kindertijd nooit zijn aangeleerd, en pakken tegelijkertijd de biologische intensiteit van emotionele reacties aan.

De epigenetische bevindingen zijn hier bijzonder relevant. Het feit dat chemische markers op genen die betrokken zijn bij BPD kunnen veranderen tijdens succesvolle psychotherapie, suggereert dat behandeling mensen niet alleen leert omgaan met een vaststaande biologische realiteit. Het kan de onderliggende biologie daadwerkelijk veranderen.

In één onderzoek daalden de DNA-methyleringsniveaus van een gen dat betrokken is bij de groei en veerkracht van hersencellen tijdens de behandeling bij mensen die goed op de therapie reageerden, maar stegen ze bij degenen die niet reageerden. Biologie bepaalt de omstandigheden, maar is niet het lot.

**

Een BPS wordt meestal geassocieerd met instabiliteit: in relaties, zelfbeeld en emoties. Deze instabiliteit komt vaak voort uit een angst om in de steek gelaten te worden.

BPS is een cluster B-persoonlijkheidsstoornis. Stoornissen in dit cluster beïnvloeden de emoties en relaties van de persoon en leiden tot gedrag dat door anderen als extreem of irrationeel wordt beschouwd.

Andere cluster B-stoornissen zijn onder andere de narcistische persoonlijkheidsstoornis en de antisociale persoonlijkheidsstoornis.

( zie vorig blog rond narcisme)

Bij mensen met borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD) komt impulsief en potentieel zelfbeschadigend gedrag vaak voor. Zelfbeschadiging en suïcidale gedachten en handelingen komen ook vaak voor. Behandelingen zijn erop gericht om te helpen deze intense gevoelens te beheersen en de stress te verminderen, zodat ze minder vaak voorkomen.

Hoewel er geen “genezing” voor BPD bestaat, gaan veel mensen met de aandoening in “remissie”, wat betekent dat hun symptomen minder intens worden tot het punt waarop ze niet langer aan de diagnostische criteria voldoen. En dat is heel hoopvol om te weten!

BPD is zeker niet onbehandelbaar; sommige studies suggereren dat de remissiesnelheid boven de 90% ligt over een periode van 10 jaar, hoewel de auteurs van de studie opmerken dat veel van deze personen interpersoonlijke relaties vermeden, wat bijdraagt ​​aan de remissie.

Borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD) wordt gedefinieerd in het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5) van de American Psychiatric Association. In sommige landen en regio’s gebruiken artsen de International Classification of Diseases (ICD-10) van de Wereldgezondheidsorganisatie, die de term emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis (EUPD) gebruikt in plaats van BPD.

De term “persoonlijkheidsstoornis” is controversieel en veel mensen (waaronder artsen) wijzen het label af. Dit komt doordat de term zelf stigmatiserend kan zijn!

Het kan pijnlijk zijn om te horen dat je psychische aandoening onderdeel is van je persoonlijkheid. Mensen met deze aandoening kunnen het gevoel hebben dat de emoties en gedragingen van BPD een rationele reactie zijn op moeilijke levenservaringen en geen gebrek in de persoon zelf of in zijn of haar persoonlijkheid.

Vanuit dit perspectief zouden professionals in de geestelijke gezondheidszorg de onderliggende oorzaak van de emotionele reacties van de persoon moeten onderzoeken, in plaats van te concluderen dat er een probleem is met het individu.

Hoewel er verschillende meningen bestaan ​​over de term ‘persoonlijkheidsstoornis’, kan een begrip heel nuttig zijn om hulp te krijgen. Sommige mensen vinden een diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD) als een opluchting om hun ervaringen te begrijpen en uit te leggen, zowel aan zichzelf als aan hun omgeving.

Volgens de DSM-5 zijn er negen symptomen die geassocieerd worden met BPD.

Vijf doorslaggevende symptomen die herkenbaar zijn bij de diagnose zijn:

– wanhopige pogingen om verlating te voorkomen, ongeacht of de verlating reëel of ingebeeld is

– instabiele en intense interpersoonlijke relaties, gekenmerkt door afwisseling tussen extreme idealisering en devaluatie

– moeilijkheden met de identiteit, zoals een snel veranderend zelfbeeld of gevoel van eigenwaarde

– impulsiviteit op minstens twee gebieden die potentieel zelfbeschadigend zijn (bijv. uitgavenpatroon, seks, middelengebruik, roekeloos rijden, eetbuien)

– terugkerende suïcidale gedachten, suïcidaal gedrag of zelfbeschadiging

– emotionele instabiliteit en snel wisselende stemmingen (bijv. intense episodische dysforie, prikkelbaarheid of angst die meestal een paar uur duren en slechts zelden langer dan een paar dagen)

chronische gevoelens van leegte

– extreme woede of moeite met het beheersen van woede

stressgerelateerde paranoïde gedachten of ernstige dissociatieve symptomen

Vanwege intense angst voor verlating kun je situaties interpreteren alsof je in de steek wordt gelaten, zelfs als dat niet het geval is.

Als een vriend bijvoorbeeld op het laatste moment afspraken verandert om een ​​onvermijdelijke reden, kun je direct een automatische angst voelen om in de steek gelaten te worden en je erg gekwetst of verdrietig voelen.

Wanneer je je afgewezen voelt, kun je irrationeel boos worden op de persoon van wie je denkt dat hij of zij je afwijst (hoewel het op dat moment rationeel kan aanvoelen). Je kunt ook het gevoel hebben dat je wordt afgewezen omdat je een slecht persoon bent, terwijl dit niet het geval is.

Persoonlijkheidsstoornissen worden meestal gediagnosticeerd bij mensen van 18 jaar en ouder, zelfs als ze al jaren symptomen hebben. Dit komt omdat een psycholoog of psychiater patronen die zich in de loop der jaren hebben gevormd, moet analyseren voordat een persoonlijkheidsstoornis kan worden vastgesteld.

Volgens de DSM moeten de symptomen van borderline persoonlijkheidsstoornis (BPD) minstens een jaar aanwezig zijn geweest bij een tiener of kind als BPD wordt gediagnosticeerd.

Borderline persoonlijkheidsstoornis komt relatief vaak voor bij opgenomen psychiatrische patiënten.

BPD wordt vaak ten onrechte gediagnosticeerd als bipolaire stoornis en vice versa.

Volgens de National Institutes of Mental Health is ongeveer 75% van de mensen met een BPD-diagnose vrouw. Sommige onderzoeken suggereren echter dat de percentages bij mannen vergelijkbaar kunnen zijn, maar dat zij vaker een verkeerde diagnose krijgen, zoals depressie of posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ook bij vrouwen kan een BPD-diagnose onjuist zijn, terwijl een andere diagnose eigenlijk nodig zou zijn.

Borderline wordt waarschijnlijk ondergediagnosticeerd. Sommige mensen krijgen eerder diagnoses zoals depressie, bipolaire stoornis, ADHD of PTSS.

Tegenwoordig gaat men ervan uit dat mannen en vrouwen ongeveer even vaak BPS hebben, hoewel vrouwen vaker gediagnosticeerd worden.

In de algemene bevolking wordt meestal uitgegaan van ongeveer 1–3%, wat neerkomt op ongeveer 1 op 50 tot 1 op 100 mensen.

Praktische complementaire wegwijzer is het boek/werkboek Mindfulness en Borderline, geschreven door Blaise Aguirre en Gillian Galen, om te eindigen met een hoopvolle noot. 🙏💚

Liefs Mieke 💜