Er is iets merkwaardigs aan onze tijd. We zijn voortdurend met de wereld verbonden en toch kunnen we ons innerlijk steeds verder van onszelf verwijderd voelen. We weten wat er aan de andere kant van de wereld gebeurt, ontvangen berichten voordat we erom gevraagd hebben en worden van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat aangesproken door beelden, meningen, verwachtingen en gebeurtenissen. Het lijkt alsof de wereld steeds dichterbij is gekomen, terwijl de mens zelf soms juist emotioneel moeilijker bereikbaar wordt.
Misschien herkennen we dat in onszelf. We lezen een aangrijpend bericht, voelen even iets, scrollen verder en komen enkele seconden later alweer bij iets totaal anders terecht. We horen over verdriet, oorlog, ziekte, klimaat, maatschappelijke onrust en persoonlijke drama’s. Alles vraagt om onze aandacht. Alles lijkt belangrijk. En tussen al die indrukken door moeten we ook nog werken, zorgen, presteren, bereikbaar zijn en ons eigen leven draaiende houden.
Vanuit een antroposofische mensbeschouwing kunnen we ons afvragen wat dit voortdurend op ons afkomen van indrukken eigenlijk met de mens doet.
De mens is immers niet alleen een lichaam dat informatie kan opnemen en verwerken. Hij is ook een gevoelswezen, een wezen met een innerlijk leven waarin indrukken tijd nodig hebben om tot ervaring te worden. Wat wij meemaken, moet als het ware kunnen landen.
Daarvoor is ritme nodig. Ademhaling is ritme. Waken en slapen zijn ritme. Dag en nacht zijn ritme. Inspanning en ontspanning horen bij elkaar. Ook ons gevoelsleven heeft zo’n natuurlijk ritme van openen en sluiten, van naar buiten gericht zijn en weer terugkeren naar het eigen innerlijk.
Onze moderne leefwereld lijkt dat ritme echter steeds meer te verstoren. We worden uitgenodigd om voortdurend wakker, alert en beschikbaar te zijn. De stilte wordt al snel gevuld. Een lege minuut wordt een moment om een scherm te openen. Een wandeling wordt onderbroken door een melding. Een avond van rust wordt gevuld met nieuws, sociale media of nog een laatste blik op wat er in de wereld gebeurt.
Zo kan er iets ontstaan wat op onverschilligheid lijkt, maar dat misschien iets heel anders is.
Niet: ik voel niets meer.
Maar eerder: ik kan niet alles meer voelen.
De ziel heeft grenzen. Wanneer er voortdurend meer indrukken binnenkomen dan we innerlijk kunnen verwerken, kan een mens zich instinctief gaan afsluiten omdat hij ergens diep vanbinnen probeert zichzelf te beschermen.
Dat afsluiten hoeft niet spectaculair te zijn. Het kan heel stil gebeuren. Je merkt dat je minder geraakt wordt door dingen die je vroeger ontroerden. Je hebt minder zin om ergens diep over na te denken. Je kijkt naar iets aangrijpends en voelt slechts een korte beweging, waarna je alweer verdergaat. Je functioneert, je doet wat nodig is, je praat met anderen, je werkt en zorgt maar ergens lijkt er minder kleur in het geheel te zitten.
Vanuit antroposofisch perspectief is dat interessant, omdat het gevoelsleven juist een wezenlijk deel vormt van onze menselijkheid. Het is in het gevoel dat wij ons verbinden met de wereld. Door bewondering, verwondering, liefde, verdriet, mededogen en vreugde wordt de wereld voor ons meer dan een verzameling feiten en gebeurtenissen. We beleven haar.
Wanneer het gevoelsleven voortdurend wordt aangesproken en tegelijkertijd nauwelijks de gelegenheid krijgt om indrukken te verwerken, kan die verbinding verzwakken. We worden dan misschien heel goed geïnformeerd, maar minder werkelijk aanwezig. We weten steeds meer, maar beleven steeds minder diep.
Daar ligt een van de grote paradoxen van onze tijd.
We zijn nog nooit zo goed in staat geweest om alles te zien, en toch kunnen we steeds moeilijker werkelijk ergens naar kijken. Ons daar laten van doordringen.
We zijn voortdurend verbonden, maar verlangen tegelijkertijd naar afzondering. We ontvangen eindeloos veel woorden, maar hebben steeds meer behoefte aan stilte. Een stilte die niet leeg is, maar juist voedend.
De antroposofische visie op de mens nodigt uit om opnieuw aandacht te hebben voor dat innerlijke gebied waarin de mens zichzelf kan ontmoeten.
Niet als vlucht uit de wereld, maar als een manier om er bewuster in aanwezig te zijn.
Wanneer we alleen maar reageren op wat van buitenaf op ons afkomt, leven we voornamelijk in reactie.
Wanneer we daarentegen momenten creëren waarin we niets hoeven te consumeren, beantwoorden of beoordelen, ontstaat er opnieuw ruimte voor een eigen innerlijke beweging.
Een wandeling zonder telefoon. Een maaltijd die werkelijk rustig wordt gegeten in plaats van eventjes snel tussendoor. Een paar minuten stilte aan het begin of einde van de dag. Werken met aandacht. Een plant verzorgen. Naar buiten gaan en het verloop van het licht volgen. Een gesprek voeren zonder ondertussen iets anders te bekijken. Een boek lezen dat niet voortdurend om onze aandacht strijdt.
Het lijken kleine dingen, maar het zijn juist de kleine rituelen die belangrijk in een tijd die ons voortdurend naar het grote, het snelle en het spectaculaire trekt. De mens leeft niet alleen van prikkels, hij leeft ook vanuit een innerlijk levensritme, van innerlijke verwerking.
Onze gevoeligheid moeten we dus niet zien als een zwakte die we moeten overwinnen, maar eerder als het vermogen om dat bescherming en verzorging nodig heeft.
Een mens die zich regelmatig terugtrekt uit de stroom van indrukken, kan opnieuw leren onderscheiden wat werkelijk belangrijk is.
In eerdere blogs heb ik geschreven dat niet alles wat er om je heen gebeurt onmiddellijk om reactie vraagt, of een emotionele reactie hoeft op te wekken, dat niet iedere mening of gedachte beoordeeld of veroordeeld moet worden.
Grenzen stellen aan wat we toelaten, betekent niet dat we minder menselijk worden. Het kan juist betekenen dat we onze menselijkheid bewaren.
Ook de natuur kan voor de mens een bijzondere leraar zijn. Zij haast zich niet, maar leeft vanuit haar eigen ritmen. Een boom hoeft niet voortdurend te groeien. In zijn wezen zijn zowel het zich ontvouwen als het rusten aanwezig. De aarde beweegt door haar jaarritme van licht naar donker, van bloei naar verstilling, van naar buiten treden naar terugkeer in zichzelf.
In de antroposofie wordt de mens niet alleen gezien als een wezen dat de wereld met zijn zintuigen waarneemt. In zijn ziel leeft ook het vermogen om wat hem tegemoetkomt innerlijk te gewaarworden. De natuur kan daardoor een soort spiegel worden voor ons eigen innerlijke leven. Wanneer wij ons werkelijk aan haar overgeven, kunnen wij niet alleen de kleuren, vormen en geluiden waarnemen, maar ook iets van haar ritme en haar levende werking in onszelf laten resoneren.
Het gewaarworden vraagt daarbij om een zekere ontvankelijkheid. Niet alles hoeft onmiddellijk begrepen of benoemd te worden. Soms ontstaat juist in het stille waarnemen een dieper weten. Het jonge groen van de lente, de volheid van de zomer, het loslaten van de herfst en de verstilling van de winter kunnen ons iets laten ervaren van processen die ook in onze eigen ziel werkzaam zijn.
Zo kan de natuur een weg worden naar een verfijnder gewaarwordingsvermogen: een vermogen om niet alleen te kijken naar wat zich uiterlijk toont, maar ook aandacht te ontwikkelen voor wat zich innerlijk laat beleven. In die zin kan de ontmoeting met de natuur bijdragen aan een bewuster worden van het eigen levensritme en van de krachten die in ons werkzaam zijn.
Juist in een tijd waarin het leven voortdurend lijkt aan te staan en van ons vraagt om steeds verder te gaan, kan het beleven van de natuurlijke ritmen ons terugbrengen naar een dieper levensritme. Daarin kunnen we opnieuw ervaren dat er voor alles een tijd is: een tijd om naar buiten te treden en te scheppen, en een tijd om naar binnen te keren, te luisteren en in stilte nieuwe krachten te verzamelen.
Misschien is dat wel waar onze tijd het meest behoefte aan heeft? Niet aan nóg meer informatie, maar aan een hernieuwde verbinding met het levende ritme van het bestaan.
Onder de vaak al aanwezig voelende vermoeidheid, de afvlakking en de behoefte om ons soms helemaal af te sluiten, leeft vaak nog iets anders. Een verlangen.
Het verlangen om weer werkelijk geraakt te worden. Om verwondering te voelen. Om ergens helemaal aanwezig te zijn. Om niet alleen te functioneren, maar ook te beleven. Om opnieuw te ervaren dat het leven meer is dan wat er voortdurend op ons scherm verschijnt.
Wat wij soms emotionele gevoelloosheid noemen, hoeft daarom niet het verdwijnen van ons gevoelsleven te betekenen, een teken dat onze ‘innerlijke’ mens om ruimte vraagt, ruimte om te ademen, om te zwijgen, om indrukken te laten bezinken, om te ontdekken wat van onszelf komt, uit onszelf ontstaat, naar ons toe komt, en wat we van buitenaf hebben overgenomen.
Daar ligt, meen ik, een belangrijke opgave voor de mens, niet om zich af te sluiten voor de wereld, maar om opnieuw een bewuste verhouding tot de wereld te vinden. Om niet alles binnen te laten, maar ook niet alles buiten te sluiten. Om een innerlijk midden te ontwikkelen van waaruit we kunnen waarnemen, voelen en handelen. Stilte is geen leegte meer, maar een plaats waar iets nieuws kan ontstaan. Ons vermogen om te voelen op te wekken.
Liefs, ![]()
![]()