Gisteren schreef ik over het vormgeven van mijn beeld in klei, geblinddoekt. Waar ik na dit weekend bij stil bleef staan, was het element aarde. Begraven worden. En één van de talrijke belevingen uit het lichaamswerk en de jaartraining Jezelf binnenste buiten keren, een training waar ik na afronding nog een tijd de hoofdtrainster bij assisteerde, voor zowel mannen als vrouwen. Daar ervoer ik hoe het voelde om letterlijk in de aarde te zakken, met enkel mijn hoofd boven de aarde.
Het aarde-element is iets waar velen van ons zich instinctief toe aangetrokken voelen. Misschien komt dat doordat het doorgaans het meest toegankelijke element is. Het bevindt zich elke dag onder onze voeten en de meesten van ons kunnen gemakkelijk een stukje gras, aarde of een steen vinden om op te zitten. Bovendien brengt de aarde zoveel schoonheid voort, in de vorm van bloemen, bomen, dieren en geologische structuren, dat het moeilijk is om er geen rust of inspiratie door te ervaren.
Elementen ervaren, heb ik ontdekt, is een levend gewaarworden. En waar word je de elementen gewaar? In jouw lichaam. Nergens anders. Je kunt er veel over lezen en er kennis over opdoen, maar uiteindelijk blijft het kennis en blijven het wetenswaardigheden. Het werkelijk ervaren gebeurt ergens anders: in het lichaam, het eerste kanaal waar al onze ervaringen doorheen lopen.
We hebben het vaak over goed aarden. Maar is er dan ook zoiets als slecht aarden? En wie bepaalt eigenlijk wat goed aarden en slecht aarden is? Ik denk dat het vooral berust op bewust(er) voelen. Gewaarworden wat elk element in jouw lichaam teweegbrengt, oproept, aanwakkert.
Op één van de opleidingsdagen kwam de volgende ervaringsoefening aan bod. Voor het zover was, werd ons gevraagd ons met warme kleding en schoeisel in te duffelen. We kregen zelfs enkele warme dekens toegestopt. “Hm… wat gaan we nu doen?” vroegen we nieuwsgierig aan elkaar. “Oké,” zei één van de trainers, “we gaan nu naar buiten. Volgen jullie?” En we volgden de trainer, met enige spanning.
Tot we op een rustige plek aankwamen, een plek met heel veel groen, waar over een ruime oppervlakte putten waren gegraven. We keken elkaar aan, we keken naar onze trainer en inmiddels ook naar de assistenten, en langzaam drong het tot ons door dat we letterlijk iets met de aarde zouden gaan doen.
Ik herinner me dat ik geen angst of paniek voelde. Tot op dat moment dacht ik alleen maar: oké. Sommigen trilden als een rietje bij het zien van de putten. Ondertussen werd duidelijk waarom we ons zo warm moesten induffelen en waarom we warme dekens hadden gekregen.
We werden één voor één begeleid naar een put. Er lagen warme dekens in de kuil en wanneer we er klaar voor waren, stapten we in de put, legden ons neer en werden we omhuld met de dekens. Daarna werd zorgvuldig en langzaam de opgehoopte aarde die naast de put lag, over ons heen gelegd.
Ik kan natuurlijk alleen maar vanuit mijn eigen beleving spreken en schrijven. Bij ieder beetje aarde dat over me heen kwam, voelde ik mezelf dieper wegzakken in de aarde. Het werd zwaarder en zwaarder. Ondertussen werd ons gezegd te blijven ademen, rustig in en uit. Enkelen hadden het moeilijk en werden gedurende het gebeuren begeleid.
Wat ik voelde en ervoer, was een stille overgave. Een diepe overgave aan de aarde, onze heilige Moeder, die ons sinds onze geboorte draagt. Ik viel samen met de aarde. Eén met de aarde, één met mezelf en de aarde. Ik voelde de aanwezigheid van een enorme, maar zachte kracht en sloot mijn ogen. Totale overgave.
Tot het moment aanbrak waarop werd gezegd dat we, wanneer het genoeg was geweest, op eigen kracht uit de put mochten komen.
Op eigen kracht… O jee. Op eigen kracht. Hoe kom ik daar nu zelf weer uit?
Ik keerde terug naar mijn ademhaling, bewoog mijn lichaam, mijn ledematen heen en weer en bereidde me voor om me met volle kracht uit de put te wurmen.
En ineens stond ik naast de put. Op de plek waar ik zojuist een tijdje had gelegen en me had overgegeven aan een ervaring van mijn lichaam met het lichaam van de aarde. De grond waarop ik loop. Waarop wij lopen. Waarop iedereen loopt.
Ik huilde tranen met tuiten. En ik was niet de enige.
Tranen die geen tranen waren van gejammer of geweeklaag, maar tranen om te ervaren wat het betekent om op eigen kracht, op eigen benen te staan. Om op eigen kracht uit een put te klimmen. Mijn put.
Tranen omdat we rijke verhalen met elkaar hebben gedeeld. Verhalen die je niet kunt verzinnen zonder ooit de grond onder je voeten te hebben zien verdwijnen, hoewel de grond er altijd is en altijd zal zijn.
De laatste tijd vertel ik er steeds meer over aan mijn lief. Maar bij het idee van begraven te worden in de aarde, met enkel het hoofd boven de grond, pakte het haar bij wijze van spreken bij haar adem. En misschien pakt het ook jou bij je adem.
We hebben zo’n beeld van begraven worden dat ons onmiddellijk doet denken aan de dood. Finaal. Het einde. Maar voor mij was die ervaring juist een hergeboorte. Het begin van een nieuw levensverhaal dat ik eerst moest doorleven om te belichamen. doorleven. Niet een moeten vanuit dwang, maar als een duidelijke uitnodiging. Een uitnodiging om door iets heen te gaan, me over te geven, te voelen, gedragen te worden en uiteindelijk weer zelf op te staan.
Ik wil er als laatste aan toevoegen dat elke sessie, elke oefening en elke opdracht verweven was met inzichten en vakkundig werd onderzocht en begeleid.
Ervaringen die zo levend zijn, zijn niet zomaar wetenschappelijk te bewijzen, juist omdat ze zo levend inwerken en doorwerken op een levend Mens.
Wat doet het met jou als ik dit verhaal met je deel? Kun je je voorstellen wat de aarde met je doet en hoe jij je verbindt met de aarde, met Moeder Aarde?
Ik lees het graag…
Een volgende keer vertel ik mijn ervaringen met het element ‘Vuur’.
Liefs Mieke

