“Een toon vormt de basis van alles in de fysieke wereld.”
Dit is slechts één van de vele onverwachte uitspraken van Rudolf Steiner in deze bijzondere spiritueel-wetenschappelijke studies over de kunst van de muziek. In zeven lezingen die hij tussen 1906 en 1923 in Europa gaf, dringt Steiner met esoterisch inzicht door tot de werkelijkheid die schuilgaat achter de beleving van muziek.
Muziek heeft altijd een bijzondere plaats ingenomen onder de kunsten, zoals de filosoof Schopenhauer al erkende. De bron ervan, legt Steiner uit, ligt niet in de fysieke wereld, maar puur in de onzichtbare spirituele wereld, de ware thuishaven van de menselijke ziel. De musicus staat daarmee dichter bij het hart van de wereld dan alle andere kunstenaars.
De muziek uit de oudheid wordt in verschillende opzichten beschouwd: de religieuze effecten ervan, de verbondenheid met spraak en de oorsprong van muziekinstrumenten uit de verbeeldingen die de zang begeleidden.
De evolutie van de beleving van muzikale intervallen wordt tot in de moderne tijd gevolgd en er wordt nieuw licht geworpen op de aard van de majeur- en mineurtoonladders, “deze vreemde band tussen muziek en menselijke subjectiviteit”, zoals Steiner opmerkt. Ook worden toekomstige richtingen van muzikale ontwikkeling aangegeven.
Steiner betoogt dat muziek niet alleen met het oor wordt ervaren (“slechts een reflecterend apparaat”), maar met het hele menselijke wezen. De muzikale elementen melodie, harmonie en ritme zijn direct verbonden met de drievoudige constitutie van het menselijk organisme en vervolgens met de drie soorten orkestinstrumenten (blazers, strijkers en slagwerk). “Een orkest is een afspiegeling van de mens”, stelt Steiner.
Een aantal verwante onderwerpen komen ook aan bod, waaronder muziekonderwijs aan kinderen (vooral in Waldorfscholen), toon-euritmiebewegingen gebaseerd op de kwaliteiten van verschillende intervallen, en een kosmische transformatie die zich met name in de vierde eeuw na Christus voltrok in de manier waarop mensen gedachten en zintuiglijke indrukken ontvangen.
In de laatste twee decennia van de 19e eeuw ontwikkelde de in Oostenrijk geboren Rudolf Steiner (1861-1925) zich tot een gerespecteerd en veel gepubliceerd wetenschapper, literair en filosofisch geleerde, vooral bekend om zijn werk over Goethes wetenschappelijke geschriften.
Na de eeuwwisseling begon hij zijn eerdere filosofische principes verder te ontwikkelen tot een methodische benadering voor het onderzoek naar psychologische en spirituele verschijnselen. In 1913 stichtte hij de antroposofische beweging, onder wiens hoede hij zijn onderzoek vanuit zijn spirituele vaardigheden voortzette, gericht op de vernieuwing van de twintigste-eeuwse samenleving.
Steiners veelzijdige genialiteit heeft geleid tot radicaal nieuwe, holistische benaderingen in de geneeskunde, wetenschap, onderwijs (Waldorfscholen), speciaal onderwijs, filosofie, religie, economie, geschiedenis, landbouw (biodynamische methode), architectuur, toneel, de nieuwe kunst van de euritmie en andere gebieden.







“Voor wie erover wil nadenken, is muziek vanuit esthetisch oogpunt altijd een enigma geweest. Enerzijds is muziek het meest toegankelijk voor de ziel, voor het direct gevoelige domein van het menselijk gevoel (Gemüt); anderzijds levert het ook moeilijkheden op voor wie de effecten ervan wil begrijpen.
Als we muziek met de andere kunsten willen vergelijken, moeten we zeggen dat al die andere kunsten daadwerkelijk modellen in de fysieke wereld hebben.
Wanneer een beeldhouwer bijvoorbeeld een standbeeld van Apollo of Zeus maakt, werkt hij vanuit de geïdealiseerde realiteit van de menselijke wereld. Hetzelfde geldt voor de schilderkunst, waarin tegenwoordig (1906) alleen een directe impressie van de werkelijkheid als geldig wordt beschouwd.
Ook in de poëzie geldt dit.
Er wordt een poging gedaan om een kopie van de werkelijkheid te maken.
Iemand die deze benadering op muziek zou willen toepassen, zou echter nauwelijks resultaat boeken. De mens moet zich afvragen wat de oorsprong is van de artistiek gevormde tonen en waaraan ze in de wereld gerelateerd zijn. […]
De wereld van de toon is ook doordrongen van het licht en de kleuren die tot de astrale wereld behoren.
Het meest karakteristieke element van de Devachanische wereld is echter deze stromende oceaan van tonen. Vanuit deze wereld van de continuïteit van het bewustzijn kan de mens het toonelement met zich meebrengen en zo het toonelement in de fysieke wereld horen.
Een toon ligt aan de basis van alles in de fysieke wereld. Elk aspect van het fysieke vertegenwoordigt bepaalde Devachanische tonen.
Alle objecten hebben een spirituele toon aan de basis van hun bestaan, en in zijn diepste wezen is de mens zelf zo’n spirituele toon. Op basis hiervan zei Paracelsus: ‘De rijken van de natuur zijn de letters, en de mens is het woord dat uit deze letters is samengesteld.’
Telkens wanneer de mens in slaap valt en het bewustzijn verliest, komt zijn astrale lichaam uit zijn fysieke lichaam tevoorschijn. In deze toestand is de mens weliswaar bewusteloos, maar leeft hij in de spirituele wereld.
De spirituele klanken maken indruk op zijn ziel. De mens ontwaakt elke ochtend uit een wereld van de muziek der sferen, en vanuit dit gebied van harmonie keert hij terug naar de fysieke wereld. Als het waar is dat de ziel van de mens Devachan ervaart tussen twee incarnaties op aarde, dan kunnen we ook zeggen dat de ziel ‘s nachts zich tegoed doet aan en leeft in vloeiende klanken, als het element waaruit zij feitelijk is geweven en dat het ware thuis van de ziel is.
De creatieve musicus vertaalt het ritme, de harmonieën en de melodieën die zich ‘s nachts op zijn etherische lichaam indrukken naar fysieke klanken.
Onbewust heeft de musicus het muzikale prototype uit de spirituele wereld ontvangen, dat hij vervolgens vertaalt naar fysieke klanken. Dit is de mysterieuze relatie tussen muziek die hier in de fysieke wereld weerklinkt en het horen van spirituele muziek ‘s nachts.
Wanneer een persoon door licht wordt verlicht, werpt hij een schaduw op de muur. De schaduw is niet de werkelijke persoon. Op dezelfde manier is muziek die in de fysieke wereld wordt geproduceerd een schaduw, een echte schaduw van de veel verhevenere muziek van Devachan.
Het archetype, het patroon, van muziek bestaat in Devachan, en fysieke muziek is slechts een weerspiegeling van de spirituele werkelijkheid.”
Lees meer: Rudolf Steiner, De innerlijke aard van muziek en de ervaring van toon, GA 283, 3 december 1906, Keulen
https://rsarchive.org/…/English/AP1983/InNaMu_index.html
persoonlijke noot:
Voor mij is dit, vanuit mijn muzikale vorming en ontwikkeling, geen loutere theorie. Als als kleuter ervoer ik een innerlijke impuls aangewakkerd. Eerst op een klein, blauw speelgoedvleugeltje, daarna op mijn groene melodica met zwart-witte toetsen, vervolgens op een echte piano. Jaren later kwam daar de dwarsfluit bij.
Telkens opnieuw ontstond er iets wat ik nog steeds moeilijk in woorden kan vatten: een diep doorvoelde verbinding met de componist, alsof zijn of haar innerlijke beleving via de muziek tot leven kwam in mijn eigen spel. Tijdens het uitvoeren leek er een wonderlijk samenspel te ontstaan tussen de componist en mij als uitvoerster. Alsof er een subtiel fluïdum werkzaam was dat het astrale, het etherische en het fysieke met elkaar verbond en de muziek als levende werkelijkheid deed ontstaan.
Misschien is juist dat de reden waarom Rudolf Steiner muziek niet uitsluitend als een kunstvorm beschouwde, maar als een werkelijkheid die de hele mens aanspreekt. Mijn verwondering over dit ‘onzichtbare’ samenspel, vooral als ik wederom een tekst lees die dat diepe gevoel in mijn hele wezen met innerlijk voelende blijdschap beleef, is levend intens maar nog steeds vind ik er geen woorden voor die de ervaring volledig recht doen.
Toevoeging: Ook over muziek heeft Steiner een heel boeiend boek geschreven.

Liefs Mieke