„Tegen het einde van het leven gaat het als tegen het einde van een gemaskerd bal, wanneer de maskers worden afgenomen. Men ziet dan wie degenen met wie men gedurende zijn leven in aanraking is gekomen, werkelijk zijn geweest. Want de karakters hebben zich geopenbaard, de daden hebben hun vruchten gedragen, de prestaties hebben hun rechtmatige waardering gekregen en alle begoochelingen zijn uiteengevallen. Voor dit alles was tijd nodig.
Het merkwaardigste echter is dat men tegen het einde van het leven zelfs zichzelf, zijn eigen doelen en bedoelingen, pas werkelijk leert kennen en begrijpen, vooral in zijn verhouding tot de wereld en tot anderen. Vaak, maar niet altijd, zal men zichzelf daarbij een lagere plaats moeten toekennen dan men vroeger had gedacht; soms echter ook een hogere. Dat laatste komt doordat men zich geen voldoende voorstelling had gemaakt van de laagheid van de wereld en zijn doel daarom hoger stelde dan die wereld zelf. Men ontdekt dan, bij wijze van spreken, wat er werkelijk in hemzelf schuilt.“
En er zit een mooie paradox in Schopenhauers gedachte: we denken ons hele leven dat we onszelf kennen, terwijl volgens hem pas de terugblik aan het einde van het leven laat zien wie we werkelijk waren. Onze daden, keuzes, relaties en prestaties hebben dan samen een patroon gevormd dat we tijdens het leven zelf nauwelijks konden overzien. De eerste veertig levensjaren noemt Schopenhauer in dezelfde passage zelfs de tekst van het leven, en de daaropvolgende jaren de commentaar die ons pas de ware betekenis en samenhang van die tekst leert begrijpen.
— Arthur Schopenhauer, Parerga und Paralipomena, deel I, Aphorismen zur Lebensweisheit, hoofdstuk VI: „Vom Unterschiede der Lebensalter“ (Over het verschil tussen de levensfasen), 1851.