
De boekentassen staan misschien al klaar. Een nieuwe brooddoos ligt te wachten, schriften zijn nog onbeschreven en hier en daar hangt de geur van een nieuw begin. Kinderen kijken uit naar hun vriendjes, naar hun juf of meester, naar alles wat er opnieuw te beleven valt.
Voor sommigen is het een vertrouwde stap, voor anderen een eerste kennismaking met de schoolwereld. De kleuter die voor het eerst de grote school binnenstapt, het kind dat naar een nieuwe klas gaat… ieder kind neemt zijn eigen verwachtingen, vragen en verhalen mee.
En voordat de eerste letters worden geschreven, voordat tafels worden geleerd en kennis wordt verzameld, is er iets wat kinderen van nature al heel goed kunnen: luisteren, beleven, verwonderen en zich laten meenemen door een beeld.
Een verhaal neemt daarin een bijzondere plaats in. Een verhaal dat aansluit bij de belevings- en fantasiewereld van het kind.
Wie een kleuter of lagereschoolkind een verhaal vertelt, geeft niet alleen woorden door. Met stem, gebaar, stilte en vooral met innerlijke beelden kan een hele wereld voor het kind verschijnen. Een bos wordt donker en geheimzinnig. Een kabouter gaat op weg. Een bloem opent zich naar het licht. Een mens staat voor een moeilijke keuze.
Het kind hoeft nog niet te begrijpen wat dit allemaal betekent. Het mag eerst beleven en daarin ligt de kunst van het beeldend vertellen: niet alles uitleggen, niet de moraal voor het kind invullen, maar een beeld zo levend laten worden dat het in de kinderziel verder kan werken.
Dat is niet altijd eenvoudig. Wanneer je zelf een verhaal wilt vinden, ligt het gevaar op de loer dat je te snel iets bedenkt. Dan kan een verhaal wel mooi of interessant lijken, maar toch te veel vanuit het verstand zijn opgebouwd. Het kan dan iets uitleggen, terwijl het kind juist iets zou moeten kunnen beleven en innerlijk aanschouwen.
Vanuit de antroposofische pedagogie gaat het er niet in de eerste plaats om dat een verhaal een bepaalde gedachte overdraagt. Het gaat om het beeld dat in het verhaal leeft. Wat spreekt door het beeld heen? Welke levenswetmatigheid wordt erin zichtbaar? Wat kan het kind aanvoelen, zonder dat het met begrippen wordt uitgelegd?
Steiner wijst erop dat het zich ontwikkelende etherlichaam niet wordt gevoed door abstracte voorstellingen, maar door beelden die werkelijk en levendig voor de innerlijke aanschouwing kunnen staan. Daarom hebben verhalen in de opvoeding een bijzondere betekenis. Een kind hoeft bijvoorbeeld niet te horen wat moed, trouw, hebzucht of nederigheid betekent. Het kan deze kwaliteiten veel dieper ervaren wanneer ze in een beeld, een gebeurtenis of een menselijk lot tot leven komen.
Daarom is het bij het vinden van een verhaal belangrijk om niet onmiddellijk te vragen: “Welke boodschap wil ik het kind meegeven?” Een vruchtbaardere vraag is: “Welk beeld leeft er in mij, en welke waarheid spreekt door dat beeld heen?”
Een verhaal ontstaat dan niet alleen uit de fantasie van de verteller, maar uit het zoeken naar een beeld dat verbonden is met het wezen van de ontwikkelingsfase van het kind. De natuur, de seizoenen, dieren, planten, mensen en hun lotgevallen kunnen zulke beelden dragen. In een goed gevonden beeld kan iets van de geestelijke samenhang van het leven worden vermoed.
Daarbij is het van belang dat we niet te snel alles willen verklaren. Juist wat niet wordt uitgelegd, kan in de kinderziel verder werken. Een beeld kan zich als het ware in de ziel neerleggen en daar later, op een ander moment in de ontwikkeling, opnieuw betekenis krijgen.
Zo kan een verhaal bijvoorbeeld spreken over een zaadje dat in de donkere aarde verdwijnt, daar een tijdlang verborgen blijft en vervolgens naar het licht groeit. We hoeven daar niet achteraan te zeggen dat dit “een beeld is van de menselijke ontwikkeling”. Het beeld zelf kan spreken. Het kind kan de beweging van verbergen, wachten, groeien en naar het licht komen innerlijk beleven.
Daarin ligt ook een belangrijk onderscheid tussen een verhaal vertellen en een les geven in verhaalvorm. Zodra wij een abstracte gedachte in een verhaal verpakken, blijft het verstand vaak de eigenlijke drager. In een werkelijk beeldend verhaal is het andersom: het beeld draagt de gedachte, maar de gedachte wordt niet rechtstreeks uitgesproken.
Steiner verbindt dit met het bekende woord uit Goethe:
“Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis.”
Het vergankelijke kan een beeld worden van iets wat niet direct zichtbaar is. Juist daarom kunnen natuurbeelden en menselijke gebeurtenissen zo’n diepe pedagogische betekenis krijgen.
Wanneer je zelf verhalen zoekt, kun je daarom proberen niet meteen een verhaal te bedenken, maar eerst te luisteren naar het beeld. Wat wil zich laten zien? Welke beweging zit erin? Wat gebeurt er in de natuur? Welke menselijke kwaliteit wordt daarin zichtbaar? Waar is sprake van groei, verval, ontmoeting, strijd, offer, trouw, ontwikkeling of verlossing?
Vanuit zo’n beeld kan het verhaal zich langzaam ontvouwen.
Het belangrijkste is dan niet dat het verhaal een bepaalde les bevat, maar dat het waarachtig en levend is. Het kind moet het beeld voor zich kunnen zien, het kunnen beleven en er innerlijk iets aan kunnen ervaren. De betekenis hoeft niet onmiddellijk duidelijk te zijn. Zij mag als een geheim in het verhaal aanwezig blijven. Het vinden én vertellen van verhalen vraagt iets van de verteller, het is niet alleen een verhaal kenen, maar het beeld dat wordt opgewekt innerlijk voor zich (kunnen) zien.
Wat hij zelf innerlijk aanschouwt, kan in het vertellen tot leven komen.
Je begrijpt wellicht ondertussen dat een verhaal geen middel wordt om een kind iets te leren, maar begrijpt hoe een beeld in de kinderziel kan doorwerken.
” HET KLEINE EN HET GROTE VIOOLTJE
In een bos, waar het zonlicht door de bomen drong, stond eens een viooltje, een bescheiden viooltje, onder een boom, die grote bladeren had. Het viooltje kon door een opening kijken, die tussen de boomtoppen was ontstaan en het viooltje zag, terwijl het door de wijde opening in het bos heen keek, de blauwe hemel. Het kleine viooltje zag voor het eerst de blauwe hemel, want het was op de ochtend van deze dag pas gaan bloeien.
Nu schrok het viooltje, toen het de blauwe hemel zag en het werd heel erg angstig. Maar het wist nog niet, waarom het zo angstig was geworden.
Toen liep er een hond langs, die er niet vriendelijk uitzag, maar een beetje boosaardig. Het viooltje vroeg de hond: „Zeg mij toch, wat is dat daar boven, dat blauwe — zo blauw als ik?” Want de hemel was ook blauw, zoals het viooltje blauw was.
En de kwaadaardige hond zei: „O, dat is een reuze groot viooltje zoals jij en dit reuzengrote viooltje is zo groot geworden, dat het je geweldig hard kan slaan”.
Het viooltje werd nog veel angstiger, want het geloofde, dat het viooltje daar boven zo groot was geworden, om hem te slaan. En het viooltje trok zijn bloemblaadjes helemaal samen en wilde niet meer opzien naar het grote viooltje.
Het verschool zich onder een groot blad van de boom, dat juist door een windvlaag omlaag gejaagd was. Daar bleef het de hele dag, zich in zijn angst verschuilend voor het grote hemelviooltje.
Bij het aanbreken van de volgende dag had het viooltje nog niet geslapen, want het had de hele nacht slechts nagedacht, hoe het toch was met het grote blauwe hemelviooltje, dat hem zou slaan. Het verwachtte steeds, dat elk ogenblik de eerste klap zou komen, maar die kwam niet.
En ’s morgens kwam het viooltje te voorschijn, omdat het nu helemaal niet moe was, want het had de hele nacht steeds nagedacht en was fris en niet moe.
Viooltjes worden moe, als ze slapen, en worden niet moe, als ze niet slapen.
Het eerste, wat het viooltje zag, was de opgaande zon — het morgenrood. Toen het viooltje het morgenrood zag, werd het helemaal niet angstig. Het was innerlijk verheugd en blij om het morgenrood.
Toen het morgenrood verbleekte, kwam geleidelijk aan de witblauwe hemel te voorschijn. Die werd steeds blauwer en blauwer en het viooltje moest er weer aan denken, wat de hond gezegd had: dat dit een groot viooltje was, dat hem slaan zou.
En ziedaar, er kwam een lammetje langs. Nu wilde het viooltje nog eens vragen, wat dat daarboven was. „Wat is dat daar boven?” vroeg het viooltje.
Het lammetje zei: „Dat is een groot viooltje, blauw zoals jij zelf bent”. Nu werd het viooltje al weer angstig en dacht, dat het van het lammetje ook weer hetzelfde antwoord zou krijgen als van de boze hond.
Maar het lam was goed en vroom. En omdat het zulke goede en vrome ogen had, vroeg het viooltje nog een keer. „Ach mijn lieve lammetje, zal het grote viooltje daar boven mij dan slaan?”
„O neen”, antwoordde het lam, „het zal je niet slaan. Het is een groot viooltje en zijn liefde is even zo vele malen groter als jouw eigen liefde; zoals het méér blauw is, als jij met je kleine gestalte blauw bent”.
Toen begreep het viooltje meteen, dat dit een groot viooltje is, dat helemaal niet zal slaan, maar zoveel blauw heeft, om zoveel meer liefde te schenken en dat het grote viooltje het kleine viooltje zal beschermen tegen alles wat vijandig is in de wereld.
Toen voelde het kleine viooltje zich zo gelukkig, omdat alles, wat het zag als blauw in het grote hemelviooltje, hem leek als de goddelijke liefde, die hem van alle kanten toestroomde. En het kleine viooltje zag altijd omhoog, alsof het wilde bidden tot de God van de viooltjes.”
Wanneer je Steiners ‘Het viooltje’ bestudeert, zie je dat de kern van het verhaal het gesprek tussen het viooltje en de hond en het viooltje en het lam is. Door het uiterlijke beeld heen, word je iets gewaar van ‘ziel’.
Dat beleven de kinderen mee.
Ze hebben medelijden met het viooltje, maken zich ook zorgen, worden eveneens getroost en zijn ook blij. Spanning is er tussen het boze en goede antwoord; je merkt die spanning soms aan de ademhaling. Een eind goed, al goed is wel een noodzaak.
De kinderen kunnen deze stemmingen diep in zich opnemen.
Steiner over dit verhaaltje:
‘Als het gaat om er met de kinderen over te spreken, is het niet goed om met hen de conclusie uit het verhaal te trekken: ‘dat men in het leven dikwijls bang is voor iets wat men verkeerd begrijpt of wat verkeerd voorgesteld wordt’.
De beelden moeten hier hun werk doen en pas veel later bestaat de mogelijkheid dat ze veranderd zijn in conclusies..
Het zinrijke verhaal(tje) is toch enigszins een vergelijking voor het menselijk leven in samenhang met iets religieus, iets goddelijks. En waar dit aanwezig is, is ook vaak iets moreels aanwezig.
Steiner heeft voor de bespreking van de fabel aangeraden om vóór de vertelling met de kinderen te spreken.
Hier komt hij er met de kinderen op terug ná het vertellen, maar, om aan te geven dat de kinderen misschien iets willen vragen.
Ik gun het zo echt ieder kind, waar nu de nadruk steeds meer komt te liggen op ‘kennis vergaren’, gaat een enorme innerlijke rijkdom verloren, of wordt ooit bij het volwassen zijn dat gebied opgewekt wat nu in de kelder wordt gezet.
Liefs Mieke
In dit blog kun je er meer over lezen, inclusief een heel interessant boek met uitleg, concrete wegwijzers enz…