Het was het jaar1993. Een weg die mijn leven zoals ik het kende op zijn kop zou zetten. Of stond mijn leven toen al op zijn kop en stak ik zelf mijn kop in het zand….het laatste voelt als meer waar.
De opleidingsruimte voor de opleiding emotioneel lichaamswerk voelde als een veilige plek met trainers en mede-cursisten die nog niet wisten hoe kwetsbaar ze waren. Ik evenmin. Na relatie-en gezinstherapie als vooropleiding had ik een stevige kennis verworven. Dat ik nu dieper zou kijken én vooral voelen waar die stevige kennis heel wat vensters en deuren zou openen, daar had ik maar een heel summier beeld van. Ja, ik ging wekelijks naar de groepssessies in bio-energetica, en daar voelde ik natuurlijk al een en ander opgeschud worden, of wakker geschud, is een betere uitdrukking. Lang verhaal kort. Toen ik het stukje van het Michelangelo-effect had gedeeld, werd ik naar een ervaring geleid, één van de vele ervaringen, en dat was het volgende:
In een weekend was er een sessie gepland. We wisten nooit op voorhand wat er in een weekend op het programma stond, maar de weekends waren heel zorgvuldig gepland door de trainers en docenten.
In het midden lagen grote vellen grijze plastiek, een grote klomp, klein, en een blinddoek en een bakje met water gevuld.
We keken elkaar aan, want we wisten dat er een opdracht was. Er speelde zachte achtergrondmuziek en werden voorbereid met een fijne meditatie.
De trainers stonden samen als een echt team, inmiddels hadden we dit al door meerdere opleidingsblokken ervaren.
De opdracht was onszelf blind vorm te geven, met de klomp klei die voor ons lag.
Het ging niet over hoe perfect we dat moesten doen. Ik hoorde hier en daar zuchten, ik zuchtte ook. Onzeker. ‘Met een blinddoek over mijn ogen,’ dacht ik, dat wordt niks.
Mijn hart sloeg een slag over. Of meer dan een slag. Ik herinner me dat ik bloednerveus was.
Daar werd ik meteen de eerste confrontatie gewaar: het moet perfect zijn. Ik hoorde de stem van mijn vader, ik hoorde stemmen van leerkrachten door elkaar wauwelen. Ik kreeg het echt heel benauwd.
Een trainer had me in de gaten en sprak me zachtjes toe, moedigde me aan die klomp klei in mijn handen te nemen en wat te spelen, contact te maken met de klei. Wat voelde ik me ‘dom’, een klein kind.
De blinddoek erbij— controle loslaten.
O hemel. O jee. Waarom moet dat met die blinddoek, zonder blinddoek zou het al lastig genoeg zijn geweest.
Mijn hoofd was nog volop aan het tegenpruttelen. Mijn hart bleef tekeer als gek. Mijn mond werd zo droog als een vis die op het droge naar water snakte.
Ik sprak mezelf toe, met de gekste overtuigingen die je je maar kunt bedenken : ‘ Ach, doe niet zo gek, het is maar een opdracht, het is maar een klomp klei, kan jou het schelen hoe schots en scheef je er straks uitziet.’
Ik voelde op een bepaald moment dat de wereld buiten me kleiner werd, maar mijn binnenwereld opende zich.
Spanning in mijn schouders, schudde ik los nog enkele keren los.
Ik ademde dieper naar mijn buik en naar mijn bekken, en ik voelde verandering.
Nog steeds zat ik – geblinddoekt- met de klomp klei in mijn handen… de klei zonk, zo voelde ik dat toen aan, in mijn handen, alsof de klei en ik elkaar vonden.
‘Laat ik maar beginnen met mijn hoofd’, sprak ik mezelf bemoedigend toe. De klei en ik gingen aan de slag: mijn handen en vingers vormden mijn hoofd, schouders, romp, benen en voeten en keerde terug naar mijn hoofd waar ik tastend en voelend mijn oren kneedde. ‘O jee, ja, juist’, dacht ik, het voelt alsof mijn oren bijna zo groot zijn als mijn hoofd.
Dus ik kneedde mijn oren, herinnerend dat mijn oren op mijn 12de levensjaar geopereerd werden. Ik had flaporen, de oren van mijn papa en werd daar heel vaak om gepest, om uitgelachen, tot mijn papa kordaat ingreep. Mijn oren voelden als een levende herinnering en ik voelde tranen over mijn wangen lopen.
Ik ging verder, met klein gevormde ogen, mijn neus – hoe zag die er uit? Het beeld van mijn neus innerlijk aanschouwend, viel het nog mee om er iets van te maken dat op een neus leek. Mijn mond, dat was een moeilijk deel, ik maakte er streepjes van. En dan mijn borsten…twee bollen klei. Het voelde disproportioneel en ik voelde schaamte.
Soms stokten mijn vingers. Waar ik eerst ‘in’ mijn lichaam was, schoot ik terug naar mijn ‘hoofd’. Zo ging dat even door, in en uit, uit en in…
Want hoe vorm je je eigen lichaam zonder te willen corrigeren, verbergen, verbeteren?
Hoe geef je gestalte aan dat wat je soms liefhebt en soms afkeurt?
De klei werd een soort innerlijke topografie
Toen mochten we de blinddoek afnemen. In stilte. Geen praten. Kijken en waarnemen naar het beeld dat we van onszelf hadden gevormd.
We zaten in volstrekte stilte, nog half in trance van het blind boetseren. Met restjes klei aan onze handen. Alleen kijken. Eerst naar het beeld. Dan naar onszelf.
Die stilte voelde sereen.
Ze hing als een dun vlies tussen ons en de klei, alsof elk woord het moment zou breken. Ik keek naar mijn klei‑zelf, naar het hoofd dat ik onbewust in mijn schouders had gedrukt, naar de benen die niet wisten waar ze thuishoorden. En dan keek ik naar mijn lichaam — hoe ik stond, hoe ik ademde, hoe mijn schouders inderdaad altijd iets te hoog zaten. Ik wist na enkele opleidingsdagen dat ik een masochistische karakterstructuur heb. Wat dit betekent, daar kom ik nog wel eens op terug.
Toen werden we uitgenodigd om rond te lopen.
Langzaam, alsof we door een museum van innerlijke anatomie liepen. Iedereen bewoog voorzichtig over het plastiek, langs de eilanden van klei‑lichamen die nog warm waren van onze handen. En wat we zagen, was verrassend. Soms ontroerend. Soms pijnlijk eerlijk.
Een mede-cursiste had zichzelf zonder armen geboetseerd. Ze was het ‘vergeten’.
Een mannelijke cursist had een enorme borstkas gemaakt, maar een heel klein hoofd.
Iemand anders had benen die alle kanten op stonden, alsof ze nooit wisten welke richting veilig was.
En er waren beelden die bijna schreeuwden : kromme ruggen, ingedrukte buiken, scheve gezichten, lichamen die iets verborgen hielden dat alleen de klei durfde tonen.
Sommigen waren verrast.
Sommigen waren verbaasd.
En sommigen waren zichtbaar geschrokken , niet van de klei, maar van zichzelf.
Het was alsof de klei ons had teruggegeven aan ons eigen lichaam, zonder de filters van gewoonte, schaamte of zelfbeeld.
Dit was het begin.
Het begin van voelen hoe we ons werkelijk verbonden voelden met ons lichaam of hoe weinig.
Het begin van zien hoe ons lijf zijn eigen verhaal vertelde, zelfs wanneer wij het niet wilden horen.
Het begin van een eerstejaars opleiding waarin het lichaam niet langer een bevroren geschiedenis was, maar een geschiedenis, een landschap, een waarheid dat zich zou openen.
En in die stille rondgang, tussen de klei‑lichamen van 1993, voelde ik voor het eerst dat mijn lichaam niet iets was dat ik had, maar dat ik droeg en belichaamde.
Al is het nu zoveel jaren geleden en heb ik daar heel weinig over geschreven en gedeeld, ik doe vandaag en zal dat met regelmaat als er iets van binnen naar buiten beweegt, delen. Vermoedelijk zitten daar de gesprekken met cliënten voor iets in tussen, en ook wel omdat velen me zien als iemand die schrijft vanuit kennis of boeken, maar dit ligt deels bij mij.
Wat ik heb doorleefd en ervaren in emotioneel lichaamswerk en het werken met de elementen, is puur ervaringsgericht, ik zou daar in het ander geval nooit kunnen over schrijven.
Misschien is het ook iets wat je voor jezelf kunt overwegen, van het hoofd naar het hart in beweging….?
Eeuwig dankbaar voor alle trainers en docenten waar Kasteel De Schans, weliswaar met andere trainers en docenten, een warme plek in mijn hart heeft.
Liefs, Mieke![]()
![]()
![]()